Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022
Onder 3.25 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:328.
Vervolgens rijst de vraag – zoals in deze zaak in cassatie voorligt – wanneer rechtsvorderingen tot betaling van vergoedingsrechten tenietgaan op grond van verjaring. Anders dan voor verrekenvorderingen (waar art. 1:141 lid 6 BW wat betreft een niet nagekomen periodiek verrekenbeding bepaalt dat de rechtsvordering tot verrekening, bedoeld in art. 1:141 lid 1 BW, niet eerder verjaart dan drie jaren na de beëindiging van het huwelijk dan wel na de inschrijving van de beschikking tot scheiding van tafel en bed in het register, bedoeld in art. 1:116 BW) geeft de wet geen afzonderlijke regel voor de verjaring van de rechtsvordering tot betaling van vergoedingsvorderingen. In aanmerking genomen de heersende leer van directe opeisbaarheid van vergoedingsvorderingen, merkt Breederveld op dat, nu het gangbaar is dat een aanspraak op het vergoedingsrecht wordt gedaan in het zicht van de echtscheiding of na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, dit tot gevolg heeft dat een vergoedingsrecht al geruime tijd opeisbaar is zonder dat de vordering is opgeëist of wellicht opgeëist kon worden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2, en de alinea staat in dat document op bytes 56589 tot 57766.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2 | shasum -a 256