Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022

Onder 3.48 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:328.

Mr. Swennen: Inderdaad. De woning is aan een derde geleverd in november 2006. Daarna is de overbruggingshypotheek afgelost. De gedachte van de wederpartij dat er sprake is van een stilzwijgende overeenkomst is dat de vrouw de overwaarde van de woning aan de [a-straat 1] zou verkrijgen. Er is echter helemaal géén stilzwijgende overeenkomst. Er staat in de huwelijkse voorwaarden dat de vrouw de overwaarde krijgt. Dus van enige stilzwijgendheid is geen sprake. Ik verwijs nogmaals naar de notitie van de notaris. Het betreft een niet opeisbare overeenkomst tijdens huwelijk en ik verwijs naar rechtspraak Rensing/Polak I en alle jurisprudentie daarna, waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat je van partijen niet kunt verlangen dat zij tijdens huwelijk geld van de ander claimen. Stel dat de vrouw het geld wel ten tijde van het huwelijk had ontvangen, dan zou de hypothecaire geldlening € 150.000,- hoger zijn geweest. Dan was dus ook de schuld hoger geweest en had de man ook een hogere schuld gehad. Het zijn communicerende vaten. Artikel 1:141 BW is eigenlijk niet van toepassing.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2, en de alinea staat in dat document op bytes 83374 tot 84512.