Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022
Onder 3.48 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:328.
Mr. Swennen: Ik weet niet meer precies wanneer in een schriftelijk stuk voor het eerst is aangegeven dat de vrouw aanspraak maakt over een bedrag aan vermogen uit de [a-straat 1] . U houdt mij dat voor omdat dat voor stuiting eventueel van belang kan zijn. Ik vertel u dat ten tijde van het kort geding de vordering van de vrouw op de man uitvoerig aan de orde is gekomen. Dat is aan de orde gekomen naar aanleiding van de discussie die de man opwierp. Ik kan u op dit moment niet vertellen of dat gegeven ook in een schriftelijk stuk was vermeld. Wellicht is sprake van de termijn ex artikel 3:310 BW tot vergoeding van schade, dan wel via artikel 3:306 BW. De verjaringstermijn is in ieder geval gekoppeld aan de opeisbaarheid. De voorzitter houdt partijen voor dat, indien zou blijken dat de verjaring niet zou zijn gestuit, de vordering van de vrouw desalniettemin verrekend kan worden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2, en de alinea staat in dat document op bytes 85166 tot 86094.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2 | shasum -a 256