Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022
Onder 3.18 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:328.
De wet bevat geen regeling over de vraag wanneer een vergoedingsrecht opeisbaar of aflosbaar is. Met betrekking tot de vraag of de vergoedingen reeds tijdens het bestaan van het huwelijk c.q. reeds vóór de ontbinding van de gemeenschap kunnen worden gevorderd, was, aldus Kolkman en Salomons, aanvankelijk de heersende mening dat de vergoedingen niet opeisbaar zijn vóór het moment dat er tussen de echtgenoten definitief moet worden afgerekend, dat wil zeggen bij het einde van het huwelijk c.q. bij de ontbinding van de gemeenschap. Eerst dan staan de vergoedingsrechten naar hun omvang vast. Vervolgens werd door vele schrijvers het standpunt ingenomen, dat de vergoedingen opeisbaar worden in geval van faillissement van een echtgenoot. En tegenwoordig wordt volgens Kolkman en Salomons terecht algemeen aangenomen dat de vergoedingsrechten in beginsel ook buiten faillissement opeisbaar zijn vóór de ontbinding van de gemeenschap.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2, en de alinea staat in dat document op bytes 47957 tot 49103.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2 | shasum -a 256