Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2022

Onder 3.27 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:34.

Verstappen merkt in zijn annotatie bij de uitspraak van 26 september 2008 op dat die uitspraak moeilijk in overeenstemming is te brengen met de uitspraak van HR 1 februari 2008. Volgens hem had de Hoge Raad met evenveel recht kunnen redeneren dat naar analogie met de huwelijksgemeenschap ook reprises en récompenses als bedoeld in de art. 1:95 lid 2 en 1:96 lid 2 (oud) BW (thans art. 1:96 leden 4 en 5 BW, toev. A-G) in aanmerking zouden moeten worden genomen omdat partijen door die verrekenafspraak juist hebben willen aansluiten bij de regels die voor de huwelijksgemeenschap gelden. Verstappen mist de inhoudelijke onderbouwing voor de door de Hoge Raad gevolgde a contrario redenering. Hij schrijft verder dat hij geen argumenten heeft kunnen bedenken waarom de Hoge Raad in het arrest van 26 september 2008 een vergoedingsvordering op grond van art. 1:95 lid 2 BW radicaal afwijst (vanwege de aard van het finale verrekenbeding), terwijl hij in de uitspraak van 1 februari 2008 vergoedingsrechten en plichten op grond van art. 1:95 lid 2 en 96 lid 2 juist wel aanvaardt in geval van uitvoering van een soortgelijk alsof-verrekenbeding. De uitspraken spreken elkaar volgens Verstappen tegen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/040516133199266f0600f579f3da262dff68a75a958af86c795aef83312e92a6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 040516133199266f0600f579f3da262dff68a75a958af86c795aef83312e92a6, en de alinea staat in dat document op bytes 48546 tot 49822.