Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022

Onder 4.18 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:346.

Een wettelijke verplichting in de zin van de c-grond behoefde (en behoeft) geen expliciete opdracht tot de gegevensververwerking te bevatten. Wel werd de eis gesteld dat de wettelijke verplichting voldoende duidelijk is wat de voorgeschreven verwerking van persoonsgegevens betreft, zo blijkt uit de ‘ Legitimate interest opinion ’ van de zogeheten Artikel 29-Groep van vertegenwoordigers van de nationale privacyautoriteiten, ingesteld op grond van art. 29 van de Privacyrichtlijn. Thans is dit duidelijkheidsvereiste – dat zijn oorsprong vindt in de rechtspraak van het EHRM over art. 8 lid 2 EVRM – uitgewerkt in punt 41 van de considerans van de AVG, dat luidt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/76f5ecfab6d8c5d7cbf62288ea6bd9d53e3842a79faed2cb2cde500cd4c8a36c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 76f5ecfab6d8c5d7cbf62288ea6bd9d53e3842a79faed2cb2cde500cd4c8a36c, en de alinea staat in dat document op bytes 68175 tot 69194.