Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2022

Onder 3.7.9 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:535.

De onderzoeker stelt bij zijn beoordeling van deze standpunten voorop dat het hier een enquêteprocedure betreft waarin het niet zijn taak is juridische zekerheid te verschaffen over het al dan niet bestaan van een lening van Bab aan PVG-9. Het gaat slechts om de vraag of de omgang door (het bestuur van) de Vennootschappen met de beweerdelijke aandeelhoudersleningen voldoende zorgvuldig is geweest en of zij Bab hieromtrent adequaat heeft voorgelicht. Wél komt het de onderzoeker voor dat het standpunt van Bab ter zake van de Bab-lening als het meest geloofwaardig moet worden aangemerkt, mede in het licht van de administratie van PVG-9, bankafschriften en de communicatie tussen Bab en de bestuurders en vertegenwoordigers van PVG-9. Het lijkt er volgens hem op dat de aanvankelijke bereidheid van MHS/PVG-9 om de lening van Bab op schrift te stellen medio 2009 omsloeg in onwil louter vanwege het feit dat Bab niet wilde deelnemen in de rond diezelfde tijd door MHS aan PVG-9 verstrekte aanvullende lening ad € 41 miljoen, waarvan 15% (zijnde € 6.150.000,-) door haar zou moeten worden opgebracht (wat in lijn is met het betoog van Bab zelf op dit punt).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e021a6b503bfd8a03036a10efe826ec35f50121cc1070868437420f599a8aabf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e021a6b503bfd8a03036a10efe826ec35f50121cc1070868437420f599a8aabf, en de alinea staat in dat document op bytes 32509 tot 33753.