Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2022
Onder 7.13 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:578.
De kern van het probleem is mijns inziens dat het Participatieplaats -arrest geen handvatten geeft om te beoordelen of sprake is van een ‘echte’ arbeidsovereenkomst, of dat het gaat om een schijnconstructie om de kwalificatie als arbeidsovereenkomst te ontlopen. Als het schriftelijke contract zo is vormgegeven dat de ‘rechten en verplichtingen die partijen die partijen overeengekomen zijn’ bij elkaar opgeteld níet alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst hebben (eerste fase), is het niet zo eenvoudig om te zien hoe dan kan worden ontkomen aan de conclusie dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst (tweede fase). In wezen is dit hetzelfde probleem dat kleeft aan de Yodel -uitspraak van het HvJ EU (zie onder 9.5 en 9.6): er wordt een lijstje met criteria gegeven om te bepalen of sprake is van een gezagsverhouding, maar daaraan wordt pas toegekomen als eerst is vastgesteld ‘dat geen sprake is van schijnzelfstandigheid’. Dat lijkt op een cirkelredenering.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c882b6a0963632bbf99f4d1a4605c71e7132dc6be72c3b86160bfec9bcf15e10. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c882b6a0963632bbf99f4d1a4605c71e7132dc6be72c3b86160bfec9bcf15e10, en de alinea staat in dat document op bytes 114634 tot 115765.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c882b6a0963632bbf99f4d1a4605c71e7132dc6be72c3b86160bfec9bcf15e10 | shasum -a 256