Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 juli 2022

Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 1 juli 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:655.

De vraag of [eiser] “wisten dat” de grond aan [verweerder] toebehoorde wordt hier ook niet gesteld in het kader van de toepasselijkheid van artikel 3:99 BW of 3:105 jo 3:306 BW op eigendomsverkrijging na bezitsverkrijging, maar in het kader van de vraag of in het beoordeelde geval onrechtmatig is gehandeld door dat bezit te nemen en te houden, wetende dat een ander eigenaar is. Gaat het daarbij om pure subjectieve wetenschap, of spelen daarbij ook objectieve elementen een rol? De door de Hoge Raad gehanteerde bewoordingen “wetende dat” in plaats van de vaker gebruikte uitdrukking “weten of behoren te weten dat” lijken erop te duiden dat er geen of hooguit heel weinig objectieve elementen bij de beoordeling van de vraag naar de onrechtmatigheid meespelen, althans dat die beoordeling strikt zal moeten zijn. Hoewel de hierboven in rov. [8.2] geciteerde overwegingen van de Hoge Raad ten overvloede waren, en als zodanig toen niet van invloed zijn geweest op de uitkomst van het arrest, kan het hier echter nog wel van belang zijn dat in het door de Hoge Raad beoordeelde geval vaststond dat de [Erven X] c.s. (althans de erflater) heel goed wisten dat de grond die zij in bezit namen in eigendom aan de gemeente toebehoorde, zodat de vraag naar het eventuele “behoren te weten” daar niet aan de orde was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a322befd7f4c990171feca2031b8c647be0b2b63790a47acede93d572126e388. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a322befd7f4c990171feca2031b8c647be0b2b63790a47acede93d572126e388, en de alinea staat in dat document op bytes 36920 tot 38262.