Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022
Onder 4.27 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:678.
Ik noem dit belangrijk omdat in de moderne procesrechtelijke literatuur in het verband van het huidige art. 25 Rv veelal alleen een ándere taak van de rechter wordt benoemd, namelijk het honoreren van een vordering of verweer op een rechtsgrond die door partijen niet is genoemd. Denk aan het geval van het klassieke Rijwielzadel- arrest: eiser vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en legt daaraan een tussen partijen gemaakte afspraak ten grondslag; de rechter wijst de vordering toe op grond van wanprestatie (dus toerekenbare tekortkoming). Déze taak van de rechter veronderstelt dat de partij die aldus door de rechter wordt ‘geholpen’, de voor de toepassing van de juiste rechtsgrond benodigde feiten heeft gesteld en mogelijk daarnaast ook dat deze partij op grond van die feiten ook zakelijk hetzelfde rechtsgevolg heeft ingeroepen. Wie bij het aanvullen van rechtsgronden alleen aan deze laatstbedoelde taak denkt, verstaat de vraag of de rechter dwingend recht ambtshalve handhaaft gemakkelijk wezenlijk anders dan Vriesendorp (vergelijk de hierna 4.60 e.v. besproken discussie tussen H.J. Snijders en Hartkamp, en in het bijzonder onder 4.70).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9cbee3159fb8864485a3827b95d09de63e39bc1c54f5cbfa81646fe29d5b5544. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9cbee3159fb8864485a3827b95d09de63e39bc1c54f5cbfa81646fe29d5b5544, en de alinea staat in dat document op bytes 115347 tot 116801.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9cbee3159fb8864485a3827b95d09de63e39bc1c54f5cbfa81646fe29d5b5544 | shasum -a 256