Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022

Onder 4.19.2 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:683.

Dan het onderdeel van Brigade Fund c.s . In rov. 1.17 van Beschikking IX stelt de OK onder meer vast dat op 20 februari 2020 ter griffie door haar is ontvangen een antwoordakte na het nadere deskundigenbericht zijdens Brigade Fund c.s. In rov. 2.66 stelt de OK vast dat op haar verzoek een deel van de onteigende partijen een (nadere) opgave en specificatie van de door hen gemaakte kosten in het geding heeft gebracht. Daartoe behoort genoemd gedingstuk zijdens Brigade Fund c.s. Zoals uiteengezet onder 4.7.4 hiervoor, verwijst de OK in rov. 1.29 onder meer naar ter griffie door haar op 3 september 2020 van Brigade Fund c.s. ontvangen producties. Niet ook naar de inhoud van de begeleidende brief zijdens Brigade Fund c.s. van gelijke datum met betrekking tot de kosten, los van de enkele verwijzing daarin naar die producties met korte toelichting daarop (zie voor die inhoud p. 1, vanaf de derde alinea (“Brigade c.s. verwachten nog”, etc.) t/m het slot op p. 6 van die brief). Zoals daar ook uiteengezet, valt door rov. 1.27-1.28 goed te verklaren dat de OK de inhoud van die brief in zoverre bij haar beoordeling buiten beschouwing laat. En wordt dit in cassatie niet bestreden. Dit is de brief waarop Brigade Fund c.s. zich in het onderdeel beroepen. Meer in het bijzonder wat betreft het in die brief vervatte verzoek aan de OK, geciteerd onder 4.18.1 hiervoor. Uit dit een en ander volgt dat de OK niet in strijd met art. 23 Rv in Beschikking IX geen beslissing geeft op genoemd verzoek van Brigade Fund c.s. Dit verzoek lag daar immers naar haar kenbare oordeel, in cassatie onbestreden, niet ter beslissing voor. Daaraan ziet het onderdeel voorbij, waar het aanvoert dat de OK in rov. 2.72 in verbinding met rov. 2.80 en 3.3 - dus inzake Brigade Fund c.s. - miskent dat zij op de voet van art. 23 Rv gehouden was over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht te beslissen. Voor zover het onderdeel in het vervolg ervan uitgaat dat de OK in rov. 3.6 beslist op genoemd verzoek van Brigade Fund c.s., gaat het onderdeel uit van een onjuiste lezing van Beschikking IX en mist het daarmee feitelijke grondslag. Zoals volgt uit het voorgaande is dat niet wat de OK daar doet. Ook overigens loopt het onderdeel vast. Uit Beschikking IX blijkt immers wel degelijk en afdoende waarom de OK zich, in de “in dit middel bestreden beslissingen ten aanzien van de vergoeding van gemaakte kosten” met betrekking tot Brigade Fund c.s., beperkt tot die op 20 februari 2020 door Brigade Fund c.s. aangereikte (nadere) opgave en specificatie van de werkelijk door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen. Daarbij zij nog bedacht dat Brigade Fund c.s. genoemd verzoek aan de OK hadden kunnen doen in die antwoordakte na het nadere deskundigenbericht van 20 februari 2020 (waarbij zij dus, op verzoek van de OK, een (nadere) opgave en specificatie van de werkelijk door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen in het geding hebben gebracht), maar dat niet hebben gedaan. Ook al was dat kenbaar het aangewezen moment daarvoor. Gelet daarop, en gezien ook hetgeen de OK vaststelt in rov. 1.27-1.28, volgt uit dat wat het onderdeel aanvoert niet dat zij Brigade Fund c.s. nog weer in de gelegenheid had moeten stellen na de mondelinge behandeling bij de OK van 24 september 2020 en vóór Beschikking IX een nadere opgave te doen als bedoeld in het onderdeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4aa5cfaf9cf3e2152eb541f39ac8f18f174c3a1ed3f55f8df576f399f56b3e0d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4aa5cfaf9cf3e2152eb541f39ac8f18f174c3a1ed3f55f8df576f399f56b3e0d, en de alinea staat in dat document op bytes 619878 tot 623533.