Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022
Onder 3.83.4 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:683.
Gevolgd door de vierde klacht in het subonderdeel . Deze loopt vast op het volgende, in lijn met de derde klacht in het subonderdeel. Zoals daar uiteengezet, onder 3.83.3 hiervoor, is het niet onbegrijpelijk dat de OK in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II ervan uitgaat dat de Minister in diens in rov. 3.55, eerste gedachtestreepje bedoelde betoog met een oneigenlijke achterstelling doelt op een beperking van de “opeisbaarheid” van de onderhavige achtergestelde vorderingen (aldus dat de desbetreffende vorderingen pas opeisbaar zijn nadat de concurrente schuldeisers van SNS Bank, door wie dan ook (bijvoorbeeld door SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring), zijn voldaan). Niet (ook) op een daarvan te onderscheiden beperking van de “betaalbaarheid” van deze vorderingen. En is het evenmin onbegrijpelijk dat zij de voorliggende obligaties niet uitlegt als mede inhoudend zo’n oneigenlijke achterstelling bestaande uit die beperking van de opeisbaarheid van deze vorderingen, ondanks het gebruik daarin van de woorden “right of payment”, “payment” en “betaalbaar”. Dit een en ander laat zich naar de aard doortrekken naar een beperking van de “verrekenbaarheid” van de onderhavige achtergestelde vorderingen, te onderscheiden van een beperking van die opeisbaarheid van deze vorderingen. Dus: de OK hoefde dit betoog van de Minister daar niet te verstaan, wat zij dus ook niet doet, als omvattend een oneigenlijke achterstelling bestaande uit een dergelijke beperking van de verrekenbaarheid van deze vorderingen. En het is evenmin onbegrijpelijk dat zij de voorliggende obligaties niet uitlegt als mede inhoudend zo’n oneigenlijke achterstelling bestaande uit die beperking van de verrekenbaarheid van deze vorderingen, ondanks het gebruik daarin van zulke woorden. Daarbij zij opgemerkt dat de klacht niet wijst op een stellingname ter zake van de Minister, laat staan met vindplaatsverwijzing. Overigens zie ik in dit betoog van de Minister ook nergens staan dat, naar de klacht thans in essentie aanvoert: zo’n beperking van de verrekenbaarheid “rechtens alleen kan worden gekwalificeerd als een oneigenlijke achterstelling”; ook de opname van zo’n beperking van de verrekenbaarheid “er dus op [duidt]” dat de desbetreffende bedingen “(mede) oneigenlijke achterstellingen behelzen”; en de in de klacht bedoelde “passages” in de overeenkomsten (over “betaalbaarheid”, “right of payment”, “payment”, etc.) in dit licht moeten worden bezien. Kortom, dat wat de klacht aanvoert, brengt evenmin mee dat rov. 3.58-3.59 ontoereikend is gemotiveerd door de OK.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4aa5cfaf9cf3e2152eb541f39ac8f18f174c3a1ed3f55f8df576f399f56b3e0d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4aa5cfaf9cf3e2152eb541f39ac8f18f174c3a1ed3f55f8df576f399f56b3e0d, en de alinea staat in dat document op bytes 507372 tot 510274.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4aa5cfaf9cf3e2152eb541f39ac8f18f174c3a1ed3f55f8df576f399f56b3e0d | shasum -a 256