Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022

Onder 2.26.1 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:686.

Kennelijk heeft het hof in deze passages niet gelezen dat de Borg zich in het kader van de dwalingsgrond van artikel 6:228 lid 1 onder a BW op de bedoelde toezegging beroept. Zo is in de memorie van grieven onder 4.26 weliswaar gesteld dat de Bank had toegezegd, althans het gerechtvaardigde vertrouwen had gewekt dat saldo- en rentecompensatie zou worden toegepast, dat dit is overeengekomen en (subsidiair) dat de Borg bij het aangaan van de borgtocht ervan mocht uitgaan dat de Bank ‘de uitgesproken intentie’ zou nakomen, maar is dit een ander niet met zoveel woorden in verband gebracht met een beroep op dwaling. De in de memorie van grieven onder 4.29 (slot) aangevoerde stelling dat als de Borg zou hebben geweten dat de Bank geen (saldo- en) rentecompensatie zou gaan toepassen, de Borg de borgtochtovereenkomst niet althans zeker niet onder dezelfde voorwaarden zijn aangegaan, dwingt ook niet tot de conclusie dat een beroep op een inlichting van de Bank als dwalingsgrond is gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cbd408cd9656f91c8101dc92b47042c8f20b392728c50e20e1ee22d5fd27f9e3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cbd408cd9656f91c8101dc92b47042c8f20b392728c50e20e1ee22d5fd27f9e3, en de alinea staat in dat document op bytes 46715 tot 47804.