Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 juli 2022

Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 15 juli 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:708.

De hogere rechter zal in het kader van de vraag naar ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve moeten vaststellen op welke datum de (al dan niet mondelinge) uitspraak heeft plaatsgevonden. Bij die beoordeling is de schriftelijke vastlegging van de uitspraak van belang. Dat is een authentieke akte en daarmee komt dwingende bewijskracht toe aan de in de schriftelijke uitspraak vermelde datum. Tegenbewijs (of wellicht tegendeelbewijs ) is echter mogelijk. De Hoge Raad heeft – met het oog op de vereiste rechtszekerheid en hanteerbaarheid van het recht op het punt van het tijdstip waarop beroepstermijnen gaan lopen – de eis gesteld dat uit het tegenbewijs ‘ ondubbelzinnig de onjuistheid blijkt’ van hetgeen de uitspraak inhoudt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6285ece6e076a53f89fb3e68074552fd7789fd24fe95a09c08d200baad98d071. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6285ece6e076a53f89fb3e68074552fd7789fd24fe95a09c08d200baad98d071, en de alinea staat in dat document op bytes 27095 tot 28138.