Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2022
Onder 4.31 Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:762.
Mijn inziens heeft het CTG ook in een ander opzicht de inhoud van art. 7:464 lid 1 BW miskend. In rov. 4.6 ligt besloten dat het CTG van oordeel is dat art. 7:464 lid 1 BW in dit geval van toepassing is, hoewel het aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling geen aandacht heeft besteed. Aan die toepassingsvoorwaarden is naar mijn mening niet voldaan. Volgens de wetsgeschiedenis heeft art. 7:464 lid 1 BW betrekking op “ niet-contractuele, doch daarmee vergelijkbare relaties ”. Daarmee worden situaties bedoeld waarin de patiënt zich ten opzichte van een arts of andere zorgverlener in een afhankelijke positie bevindt. Art. 7:464 lid 1 BW is blijkens de tekst daarvan alleen van toepassing indien ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ worden verricht, als bedoeld in art. 7:446 lid 2 BW, dat in randnummers 4.10 tot en met 4.12 aan de orde kwam. Te denken is aan vele door het publiekrecht beheerste situaties. Een voorbeeld uit de rechtspraak is onderzoek in opdracht van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen naar de rijvaardigheid en rijgeschiktheid van een persoon. Een ander voorbeeld is een medisch onderzoek in het kader van een indicatiestelling voor (destijds) AWBZ-zorg. Tegenwoordig valt te denken aan medische onderzoeken ten behoeve van indicatiestellingen voor hulpverlening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet langdurige zorg of de Jeugdwet. Het CTG heeft niet expliciet geoordeeld over de vraag of de handelingen die in het onderhavige geval aan de orde zijn – het bestuderen van een medisch dossier om te beoordelen of een behandeling volgens de regels der kunst is verlopen, zonder de patiënt te zien – kunnen worden aangemerkt als ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’ als bedoeld in art. 7:446 lid 2 BW. Hiervoor in randnummers 4.10 en 4.12 werd al duidelijk dat ik van mening ben dat het antwoord op deze vraag ontkennend luidt. Dat brengt mee dat, anders dan het CTG heeft gemeend, art. 7:464 lid 1 BW niet van toepassing is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/620be9cae33bae5928d0b4b98a63c81f3956041bc22d10a647b7633a4f92ce61. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 620be9cae33bae5928d0b4b98a63c81f3956041bc22d10a647b7633a4f92ce61, en de alinea staat in dat document op bytes 75399 tot 77789.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/620be9cae33bae5928d0b4b98a63c81f3956041bc22d10a647b7633a4f92ce61 | shasum -a 256