Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2022
Onder 9.8. Parket bij de Hoge Raad 13 september 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:820.
Ook inbreuken op het nationale recht die hebben plaatsgevonden in het kader van de procedure tot benoeming van een rechter kunnen een schending opleveren van het recht op een ‘bij de wet ingesteld gerecht’ . Omdat het benoemingsproces vatbaar is voor ongeoorloofde inmenging van andere staatsmachten of van de rechterlijke macht zelf, acht het EHRM strikte controle vereist ( Guðmundur Andri Ástráðsson t. Iceland , par. 226). Niet alle onregelmatigheden in een gerechtelijke benoemingsprocedure kunnen een schending opleveren (idem, par. 237). In dit verband wijst het EHRM op het belang van het rechtszekerheidsbeginsel, dat onder meer eist dat geen discussie ontstaat over onherroepelijke uitspraken. Dit aspect van rechtszekerheid veronderstelt in het algemeen eerbiediging van het beginsel van ‘res judicata’ (het beginsel van de kracht van gewijsde), dat, door de onherroepelijkheid van vonnissen, arresten, beschikkingen en uitspraken en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen te waarborgen, de stabiliteit van de rechterlijke macht bevordert en bijdraagt aan het vertrouwen van het publiek in de gerechten. Van het beginsel van ‘res judicata’ kan volgens het EHRM alleen worden afgeweken als dit noodzakelijk is door omstandigheden van wezenlijke en dwingende aard, zoals de correctie van fundamentele gebreken of een gerechtelijke dwaling (idem, par. 238). Ook wijst het EHRM op het belang van het beginsel van onafzetbaarheid van rechters en het waarborgen van de rechterlijke ambtstermijn. Daaraan voegt het EHRM wel toe dat het handhaven van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van onafzetbaarheid van rechters ten detrimente van de vereisten van ‘een bij de wet ingesteld gerecht’ , in bepaalde omstandigheden de rechtsstaat en het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke macht nog meer kunnen schaden. Er dient dan ook een afweging te worden gemaakt tussen deze belangen om te bepalen of sprake is van een dringende noodzaak (van wezenlijke en dwingende aard) die een afwijking van het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van de kracht van gewijsde ( ‘the force of res judicata’ ) en het beginsel van onafzetbaarheid van rechters rechtvaardigt (idem, par. 240). Het EHRM laat de verdragsstaten hier een zekere beoordelingsmarge omdat de nationale autoriteiten beter in staat zijn dan het EHRM om te beoordelen hoe de ‘interests of justice and the rule of law’ in een bepaalde situatie het best gediend zijn. Het EHRM heeft echter wel een driestappenplan uiteengezet dat het hanteert bij zijn toetsing en dat ook als leidraad kan dienen voor de nationale gerechten bij de desbetreffende beoordeling. Dit stappenplan houdt het volgende in (idem, par. 244-252):
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e158c0807e9e424e6848947420f643aa7ee6eace08053fae311963298e3ea0a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e158c0807e9e424e6848947420f643aa7ee6eace08053fae311963298e3ea0a, en de alinea staat in dat document op bytes 70924 tot 73895.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4e158c0807e9e424e6848947420f643aa7ee6eace08053fae311963298e3ea0a | shasum -a 256