Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Onder 4.26 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.

Subonderdeel 3.2 richt een rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 5.6.2. Het subonderdeel stelt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep van [eiser] op misbruik van recht door [verweerder] in doorslaggevende, althans belangrijke, mate af te wijzen omdat [eiser] , kort gezegd, ondanks de waarschuwing(en) van [verweerder] is doorgegaan met bouwen. Het subonderdeel stelt dat, anders dan het hof kennelijk meent, in een geval als het onderhavige, waarin een beroep wordt gedaan op art. 3:13 BW als verweer tegen een vordering tot amotie, de omstandigheid dat degene die zich op misbruik van recht beroept schuld (of zelfs grove schuld) heeft aan de overbouw, niet wegneemt dat nog steeds sprake kan zijn van misbruik van het recht om amotie te vorderen. Althans is volgens het subonderdeel zonder nader motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het doorbouwen van [eiser] in dit geval in de weg zou staan aan misbruik van recht door [verweerder] . Hierbij is volgens het subonderdeel van belang dat [eiser] erop heeft gewezen dat hij, na de niet van enige onderbouwing voorziene waarschuwing van [verweerder] dat hij overbouw zou plegen, de juistheid van deze stelling heeft onderzocht door deze bij zijn architect en bij zijn aannemer te verifiëren. Deze hebben volgens het subonderdeel de hun bekende gegevens erop nageslagen en [eiser] vervolgens eensluidend laten weten dat het gebouw exact binnen de kadastrale perceelsgrenzen was ontworpen én werd gebouwd. Het subonderdeel stelt verder dat dit aansloot bij de eerdere mededeling van de architect dat de afmeting van het nieuwe gebouw (5,49 m breed) in overeenstemming was met de breedte van het perceel op de kadastrale kaart (5,50 m). Omdat het oude pand daarentegen wél iets van de perceelsgrens af stond, betekende dit volgens het subonderdeel dat de gang feitelijk iets smaller werd. [eiser] ging er daarom volgens het subonderdeel vanuit dat de opvatting van [verweerder] berustte op het misverstand dat de oorspronkelijke breedte van de gang overeenstemde met diens eigendom. Uiteindelijk is gebleken dat toch sprake was van overbouw doordat de aannemer, zonder de architect of [eiser] te informeren, het pand een stukje had ‘opgeschoven’ vanwege een overhangende goot van het aan de andere zijde naastgelegen pand (aan de [b-straat] 14). Dit was volgens het subonderdeel voor [eiser] echter nog niet zichtbaar toen [verweerder] zich beklaagde, omdat het werk toen nog niet zover was gevorderd dat de tussenruimte (tussen [b-straat] 12 en 14) zichtbaar was. Het subonderdeel stelt dat dit betoog erop neerkomt dat, indien [eiser] een verwijt treft dat hij de stelling van [verweerder] niet (ook) bij het kadaster heeft geverifieerd, dit verwijt er slechts in bestaat dat [eiser] te lichtvaardig heeft vertrouwd op de inlichtingen van zijn architect en aannemer, na door hen verricht onderzoek. Dit is in de redenering die het hof volgt een relevante omstandigheid, die het hof daarom volgens het subonderdeel kenbaar in zijn oordeel had moeten betrekken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 109829 tot 113246.