Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Onder 4.28 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.

Subonderdeel 3.3 richt een motiveringsklacht tegen rov. 5.6.2. Het subonderdeel stelt dat het hof zijn afwijzing van het beroep van [eiser] op art. 3:13 BW onvoldoende heeft gemotiveerd door daarin niet kenbaar te betrekken dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, op het moment dat hij (voor het eerst) door [verweerder] op de overbouw werd gewezen, de bouw al zodanig was gevorderd – de fundering en de vloer voor de begane grond waren al aangebracht – dat deze niet meer zonder aanzienlijke nadelige gevolgen kon worden gestaakt, laat staan ongedaan gemaakt. [eiser] heeft volgens het subonderdeel toegelicht dat vanwege de gebruikte paalfundering op het moment dat die fundering is aangebracht het zogenoemde ‘ point of no return ’ is bereikt. Volgens het subonderdeel kon het gebouw immers niet zomaar een halve meter worden opgeschoven, omdat de fundering daarop niet is ontworpen of ingericht. Evenmin kon volgens het subonderdeel naast de al aangebrachte funderingspalen een nieuwe rij palen worden aangebracht om de ‘verschuiving’ met enkele tientallen centimeters alsnog mogelijk te maken. De enige manier waarop na het aanbrengen van de fundering de overbouw verholpen had kunnen worden, was daarom volgens het subonderdeel het algeheel verwijderen van de al aangebrachte funderingspalen. Dit gebeurt door het uitboren ervan, wat een zeer tijds- en arbeidsintensief proces is, het vervolgens verdichten van de grond die in de plaats komt van de paal en het daarna opnieuw slaan van de nieuwe funderingspalen. Voor die in tijd en geld ingrijpende werkzaamheden zouden bovendien diverse publiekrechtelijke toestemmingen vereist zijn, met de daarbij behorende onderbouwingen zoals bodemdichtheidsrapporten, aangepaste constructieberekeningen en het ontwerp van een nieuw ‘palenplan’ voor de fundering, wat ook weer een substantiële investering in tijd en geld zou vergen. Het subonderdeel stelt dat dit betoog van [eiser] erop neerkwam dat reeds het ongedaan maken van de bouwwerkzaamheden die al waren verricht vóórdat [verweerder] (voor het eerst) zijn bezwaren kenbaar maakte, voor [eiser] tot substantiële en/of onevenredige schade zou hebben geleid. In het licht hiervan had het hof volgens het subonderdeel nader moeten motiveren waarom [eiser] , zoals het hof aan het slot van rov. 5.6.2 oordeelt, zijn financiële schade toch in belangrijke mate, zo al niet geheel, aan zichzelf te wijten zou hebben omdat hij ondanks de bezwaren van [verweerder] is doorgegaan met bouwen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 118411 tot 121137.