Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Onder 4.40 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.

Subonderdeel 4.4 ten slotte stelt dat de afwijzing van het beroep van [eiser] op art. 5:54 BW ook van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd, om de volgende vier redenen. Het subonderdeel stelt in de eerste plaats dat voor zover het hof er in rov. 5.7.3 van uitgaat dat [verweerder] [eiser] heeft gewaarschuwd vóórdat de fundering en de daarop gelegde betonvloer gereed waren, dit onbegrijpelijk is. Het subonderdeel beroept zich in dit verband op rov. 4.7 en de stellingen van [eiser] . Het subonderdeel stelt in de tweede plaats dat het hof er in het laatste deel van rov. 5.7.3 kennelijk van uitgaat dat aan het beroep van [eiser] op art. 5:54 lid 1 BW in de weg staat dat [eiser] ten aanzien van de verdere afbouw van het appartementencomplex niet te goeder trouw was. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat voor een beroep op art. 5:54 lid 1 BW niet is vereist dat de eigenaar van het gebouw ten aanzien van de overbouw te goeder trouw is. Voor toepassing van art. 5:54 lid 3 BW dient de eigenaar ter zake van de (over)bouw kwade trouw of grove schuld te kunnen worden verweten. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat kwade trouw en/of grove schuld niet hetzelfde is als niet te goeder trouw. Het subonderdeel stelt in de derde plaats dat het hof aan het slot van rov. 5.7.3 miskent dat voor beoordeling of toepassing van art. 5:54 lid 1 BW is uitgesloten als bedoeld in art. 5:54 lid 3 BW niet relevant is of de schade die voortkomt uit eigen handelen van de eigenaar van het gebouw nádat deze aanvankelijk te goeder trouw heeft overgebouwd kan gelden als een belang dat moet worden meegewogen in het kader van art. 5:54 lid 1 BW. Aan die belangenafweging wordt immers pas toegekomen als op grond van art. 5:54 lid 3 BW is bepaald dat toepassing van art. 5:54 lid 1 BW niet is uitgesloten. Het subonderdeel stelt in de vierde en laatste plaats dat, indien het hof aan het slot van rov. 5.7.3 bedoelt dat de omstandigheid dat [eiser] , nadat [verweerder] aan de bel had getrokken, het gebouw verder heeft afgebouwd en dat de schade die afbraak van het appartementencomplex zou meebrengen, niet zou mogen worden meegewogen bij de belangenafweging van art. 5:54 lid 1 BW, zodat die belangenafweging (mede) daarom in het nadeel van [eiser] uitvalt, dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel heeft het hof dan in dit oordeel ten onrechte niet kenbaar betrokken het betoog van [eiser] dat, kort gezegd, reeds het afbreken/terugdraaien van de fundering en de betonvloer tot substantiële schade zou hebben geleid, zodat hij al om die reden een zeer aanzienlijk belang had bij handhaving van de daardoor ontstane situatie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 148394 tot 151408.