Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Onder 4.46 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.
Subonderdeel 5.1 is gericht tegen het oordeel van het hof, in navolging van de rechtbank (rov. 4.6 en 4.7 van het vonnis), dat de gang aan de voorzijde 140 cm breed was, omdat het hek dat de gang afsloot iets meer dan 4,5 stoeptegels (van 30 cm) breed was en het mede daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank, en kennelijk ook van het hof, dat de oppervlakte van de overbouw 6,4 m2 is. Dit oordeel is volgens het subonderdeel in het licht van de gedingstukken niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel wijst erop dat [eiser] heeft aangevoerd dat het oude pand (aan de voorzijde) op enige afstand van de erfgrens stond, dat hij deze stelling heeft onderbouwd met een uittreksel van de ingeschreven kadastrale kaart, waarop het ‘inspringen’ van het oude pand ten opzichte van de erfgrens duidelijk zichtbaar is, en dat hierbij aansluit dat uit een meting van diezelfde kadastrale kaart blijkt dat de kadastrale breedte van de gang aan de voorzijde 125 cm is. Volgens het subonderdeel ligt in deze stellingen besloten dat de poort (het hek), die (dat) volgens de rechtbank en het hof 140 cm breed was, deels op het perceel van [eiser] stond. Gelet daarop is volgens het subonderdeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat de gang toch over de volledige breedte van 140 cm zou toebehoren aan [verweerder] . Volgens het subonderdeel is in het verlengde daarvan ook niet begrijpelijk dat de overbouw 6,4 m2 zou omvatten. Het subonderdeel stelt verder dat in het licht van de kadastrale kaart en de foto van het hek bovendien niet (zonder meer) begrijpelijk is dat [eiser] zich bij zijn kritiek op de uitkomst van de kadastrale inmeting zou bedienen van stellingen en conclusies die niet of nauwelijks (meer) feitelijk toetsbaar zijn en dat [eiser] geen andere stukken van overtuiging zou hebben overgelegd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de kadastrale inmeting. Het subonderdeel wijst erop, onder verwijzing naar rov. 4.6 en 4.7 van het vonnis, dat volgens de kadastrale inmeting de kadastrale grens van het perceel van [eiser] (zelfs) op 148 cm van de gevel van het pand aan de [b-straat] 10 zou liggen. Het subonderdeel stelt dat als de feitelijke breedte van de gang echter 140 cm was vanaf die gevel en de kadastrale grens bovendien nog een stukje van het pand van [eiser] af lag, niet zonder meer in te zien is dat de kadastrale grens toch op 148 cm van de gevel van het pand op nr. 10 zou liggen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 159479 tot 162263.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a | shasum -a 256