Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Onder 4.7 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.

Subonderdeel 2.1 is gericht tegen de eerste volzin van rov. 5.3 en tegen het dictum. Volgens het subonderdeel heeft het hof aldaar de tot schorsing strekkende akte van [eiser] opgevat als een verzoek tot schorsing van het geding. Daarmee heeft het hof volgens het subonderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel verwijst naar art. 225 lid 2 Rv. Volgens het subonderdeel is een akte als bedoeld in die bepaling niet een verzoek tot schorsing waarop de rechter een beslissing moet nemen alvorens schorsing plaatsvindt, maar schorst een dergelijke akte zélf het geding, althans doet die dat in ieder geval als sprake is van een in art. 225 lid 1 Rv genoemde schorsingsgrond. Dit laatste doet zich hier volgens het subonderdeel voor, omdat onder het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde door “een andere oorzaak” als bedoeld in art. 225 lid 1, onder c, Rv ook valt rechtsopvolging onder bijzondere titel, waarvan volgens het subonderdeel in het onderhavige geval, door de verkoop en levering van het perceel en het appartementencomplex door [eiser] aan de stichting, sprake is. Het toe- of afwijzen van een verzoek tot schorsing was volgens het subonderdeel daarom niet aan de orde. Aan het voorgaande doet volgens het subonderdeel niet af dat [eiser] in de desbetreffende akte het hof heeft verzocht “te verstaan” dat het geding ingevolge art. 225 Rv jo. art. 353 Rv per die datum was geschorst. De strekking van deze akte was volgens het subonderdeel onmiskenbaar dat [eiser] daarmee een beroep deed op art. 225 lid 1, onder c, Rv jo. art. 353 Rv, zodat reeds het indienen van deze akte ingevolge art. 225 lid 2 Rv jo. art. 353 Rv het geding schorste. [eiser] wenste volgens het subonderdeel enkel dat het hof zou constateren (vaststellen) dat door die akte schorsing van het geding had plaatsgevonden. Als het hof de akte van [eiser] niettemin zo heeft uitgelegd dat [eiser] daarmee (enkel) een verzoek aan het hof deed om het geding (constitutief) te schorsen, is dat volgens het subonderdeel tegen de achtergrond van de wettelijke regeling onbegrijpelijk. Gelet op de gestelde strekking van de akte van [eiser] is volgens het subonderdeel bovendien onbegrijpelijk dat [eiser] in zijn akte de schorsing nog slechts zou hebben “aangekondigd”, zoals het hof blijkens de eerste volzin van rov. 5.3 aanneemt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 38453 tot 40966.