Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Onder 4.8 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.

Het hof heeft de inroeping van de schorsingsgrond, gelet op het voorgaande terecht, opgevat als een incident, zoals onder meer blijkt uit (de in cassatie onbestreden) rov. 6.1, waarin het hof tot de slotsom komt dat “[h]et incident tot schorsing van de procedure wordt afgewezen, zodat de procedure wordt voortgezet”. Dat houdt m.i. verband met het procesverloop zoals dat blijkt uit de (in cassatie eveneens onbestreden) rov. 5.1-5.2 (zie ook onder 3.13 hiervoor). Uit rov. 5.1 komt naar voren dat [eiser] op zichzelf in zijn akte tot schorsing voldoende heeft aangevoerd om een geslaagd beroep op art. 225 lid 1, onder c, Rv (jo. art. 353 Rv) te kunnen doen. Indien [verweerder] zich niet zou hebben verzet tegen de schorsing, had het hof moeten vaststellen dat door de akte het geding per 26 januari 2021 was geschorst. Uit rov. 5.2 (en rov. 5.3) blijkt echter dat [verweerder] zich wel degelijk tegen de schorsing heeft verzet. In het aldus gerezen schorsingsincident heeft het hof het verzoek tot schorsing van het geding afgewezen. De eerste volzin van rov. 5.3 (“Het hof wijst de door [eiser] aangekondigde schorsing van het geding af.”) en het dictum van het arrest (“Het hof, recht doende in hoger beroep: wijst het verzoek van [eiser] tot schorsing van het geding af; (…)”) geven in zoverre dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof diende in het schorsingsincident, gelet op het verzet van [verweerder] , wel degelijk te beslissen over toe- of afwijzing van de schorsing. Uit het arrest blijkt ook niet dat het hof de akte van 26 januari 2021 van [eiser] anders heeft uitgelegd dan dat [eiser] wenste dat het hof (enkel) zou constateren (vaststellen) dat door die akte schorsing van het geding had plaatsgevonden. In de eerste volzin van rov. 5.3, waarin het hof overweegt dat het “de door [eiser] aangekondigde schorsing van het geding af[wijst]”, geeft het hof geen andere strekking aan die akte, maar brengt het tot uitdrukking dat sprake is van een schorsingsincident, waardoor het hof, gelet op het verzet van [verweerder] tegen de schorsing, niet zonder meer kan vaststellen dat het geding ingevolge art. 225 lid 1, onder c, Rv jo. art. 353 Rv per 26 januari 2021 is geschorst. Het oordeel van het hof is in zoverre ook niet onbegrijpelijk. Voor zover het subonderdeel is gebaseerd op een andere lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag. Hierop stuit het subonderdeel af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 46145 tot 48685.