Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Onder 4.10 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.
Het subonderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in de tweede volzin van rov. 5.3 (zie onder 3.13 hiervoor) niet bedoeld dat [eiser] te veel onduidelijkheid heeft laten bestaan over de vraag of de eigendom van het perceel daadwerkelijk is overgedragen aan de stichting. Dat blijkt uit de verwijzing naar het standpunt van [verweerder] in de desbetreffende volzin en ook uit het vervolg van rov. 5.3. Het standpunt van [verweerder] , dat het hof in rov. 5.2 kort weergeeft, is immers ook niet dat het niet (voldoende) duidelijk zou zijn of de stichting daadwerkelijk de nieuwe eigenaar is geworden. Dat [eiser] (onder meer) het desbetreffende pand op 31 december 2020 aan de stichting heeft overgedragen, wordt door [verweerder] niet betwist, zoals het subonderdeel terecht constateert. Zo verwijst [verweerder] in zijn (eerste) akte van 8 februari 2021, onder 5, naar een productie (productie 2 bij die akte), een zogenoemde Objectlijst rechthebbende van het kadaster met betrekking tot de stichting van 29 januari 2021, waaruit blijkt dat de stichting een vijftiental onroerende zaken, waaronder de onroerende zaak met kadastrale aanduiding [plaats] [sectie] [006] aan de [b-straat] 12 te [plaats] , op naam heeft en stelt hij, onder 13, ook met zoveel woorden dat de stichting “als rechtsopvolger onder bijzondere titel van [eiser] de nieuwe eigenaar van het perceel [is]”. Dat een rechtsopvolging onder bijzondere titel van (onder meer) het desbetreffende perceel met de overbouw van [eiser] naar de stichting heeft plaatsgevonden, staat daarmee tussen partijen voldoende vast. Wat [verweerder] echter, door te wijzen op tal van onduidelijkheden over onder meer de timing van de verkoop aan de stichting, de aard van de stichting, de persoon van haar bestuurder en de mogelijke betrokkenheid van [eiser] bij de stichting, in twijfel heeft getrokken, is of de betrekkingen waarin [eiser] het geding voerde wel daadwerkelijk zijn opgehouden, in de zin dat de zeggenschap over het procesbeleid daadwerkelijk op de stichting is overgegaan. Uit de akte uitlaten producties van [eiser] , waarin hij reageert op beide aktes van [verweerder] van 8 februari 2021, blijkt m.i. ook dat [eiser] heeft begrepen dat [verweerder] de ‘oprechtheid’ van de transactie met de stichting in twijfel heeft getrokken. [eiser] stelt daarin immers onder meer dat “niet enkel dit pand is overgedragen teneinde een schorsingsgrond voor deze procedure te ‘creëren’”, hij stelt voorts dat hij “de suggestie die uitgaat van het ‘schuiven’ van onroerend goed verre van zich werpt” en hij wijst er verder op dat “[a]ls [verweerder] zou hinten op misbruik van het procesrecht of anderszins van kwade opzet die de ingeroepen schorsing strijdig zou maken met de regels van goede procesorde, […] het [dan] op zijn weg [ligt] om daarvan met een deugdelijke onderbouwing te komen. Dat laat hij na […].” Ik merk op dat [eiser] zich in dit verband, kort gezegd voor de vraag in hoeverre de stichting aan hem gelieerd is, niet achter de regels van bewijslastverdeling kan verschuilen. [verweerder] kan hierover immers niet meer stellen dan hij weet en redelijkerwijs kan weten op basis van publiek toegankelijke informatie waarop hij zich ook heeft beroepen, zoals een uittreksel uit het handelsregister van de stichting, de al genoemde Objectlijst van het kadaster met betrekking tot de stichting en een artikel over [eiser] van 8 februari 2021 op een regionale nieuwssite. Vervolgens is het, mede gelet op de waarheidsplicht van art. 21 Rv, aan [eiser] om aan te geven hoe de vork in de steel zit met betrekking tot (zijn betrokkenheid bij) de stichting. [eiser] heeft daar ook gelegenheid toe gehad in zijn al genoemde akte uitlaten producties van 9 maart 2021 (zie ook onder 3.11 hiervoor). [eiser] heeft die gelegenheid echter niet aangegrepen om de door [verweerder] gestelde onduidelijkheden weg te nemen. De enige inhoudelijke toelichting die hij geeft, is dat “ [eiser] het Pand, gelijktijdig met een meeromvattend deel van zijn vastgoedportefeuille aan [de stichting] heeft overgedragen.” Het antwoord op de vraag of [eiser] direct of indirect betrokken is bij de stichting wordt in deze akte uitdrukkelijk in het midden gelaten, terwijl dit wel een relevant aspect is voor de beslissing van het hof over toe- of afwijzing van de schorsing. Dat de stichting “in elk geval geen aandelen [houdt] van enige vennootschap waarbij [eiser] betrokken is”, neemt uiteraard ook niet weg dat [eiser] wel direct of indirect betrokken kan zijn bij de stichting. Ik lees rov. 5.3, waarin het hof kort gezegd met [verweerder] van oordeel is dat [eiser] te veel onduidelijkheid heeft gelaten rondom de eigendomsoverdracht naar de stichting, aldus dat het hof het oog heeft op die door [verweerder] gestelde onduidelijkheden waarover [eiser] in zijn daaropvolgende akte geen althans onvoldoende opheldering heeft gegeven. Het hof is daarmee dus ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft de afwijzing van de schorsing evenmin gebaseerd op een feitelijke grond die [verweerder] niet aan zijn verweer tegen de schorsing ten grondslag heeft gelegd. Hierop stuit het subonderdeel af.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 51444 tot 57246.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a | shasum -a 256