Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Onder 4.11 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.
Subonderdeel 2.3 is voorgesteld voor het geval het hof wel ervan is uitgegaan dat [eiser] het perceel en het daarop gebouwde appartementencomplex in eigendom heeft overgedragen aan de stichting, maar het de schorsing van het geding niettemin heeft afgewezen omdat [eiser] te veel onduidelijkheid zou hebben gelaten rondom die eigendomsoverdracht doordat hij geen inzicht heeft verschaft in de voorwaarden waaronder die overdracht heeft plaatsgevonden en over de bereidheid van de stichting om het geding, kort gezegd, voort te zetten. Volgens het subonderdeel heeft het hof in dat geval blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de vereisten voor schorsing van het geding als bedoeld in art. 225 Rv. Voor een zodanige schorsing volstaat volgens het subonderdeel dat zich een van de in art. 225 lid 1 Rv genoemde gronden voor schorsing voordoet, zoals hier rechtsopvolging onder bijzondere titel, en dat de partij die het geding wenst te schorsen, voor zover hier van belang, een daartoe strekkende akte neemt (art. 225 lid 2 Rv). Voor schorsing van het geding vanwege rechtsopvolging onder bijzondere titel is volgens het subonderdeel dus niet vereist dat de partij die het geding wenst te schorsen daarbij tevens inzicht geeft in de voorwaarden waaronder die rechtsopvolging, of de daaraan ten grondslag liggende titel (hier: de verkoop), heeft plaatsgevonden, althans niet voor zover die voorwaarden niet van belang zijn voor het antwoord op de vraag of daadwerkelijk sprake is geweest van rechtsopvolging. Voor schorsing van het geding is volgens het subonderdeel evenmin vereist dat de partij die de schorsing inroept zich uitlaat over de bereidheid van zijn rechtsopvolger om het geding op eigen naam voort te zetten. Schorsing van het geding is volgens het subonderdeel juist mede bedoeld om (ook) de rechtsopvolger enige tijd te bieden voor onderzoek naar de stand van zaken en voor beraad of hij het geding wil overnemen. Het subonderdeel stelt dat met deze strekking zich niet verhoudt dat de in de relevante rechtsverhouding opgevolgde partij (hier: [eiser] ) zich zou moeten uitlaten over de vraag of zijn rechtsopvolger (hier: de stichting) het geding op eigen naam wil voortzetten, laat staan reeds bij het inroepen van de schorsing; de schorsende partij of zijn rechtsopvolger mag volgens het subonderdeel ook later aangeven hoe het geding zal worden hervat. Indien daarover direct duidelijkheid gegeven zou moeten worden, zou aldus het subonderdeel immers geen sprake meer zijn van de met art. 225 Rv beoogde termijn voor onderzoek of beraad. Althans had het hof volgens het subonderdeel (nader) moeten motiveren waarom in het onderhavige geval, in weerwil van wat hiervoor is opgemerkt over de wettelijke regeling voor schorsing van het geding, de daarvoor geldende wettelijke eisen en de daarmee beoogde termijn voor onderzoek en beraad, toch wél op straffe van afwijzing van de door [eiser] ingeroepen schorsing verlangd moest worden dat hij, kort gezegd, (direct) de door het hof verlangde duidelijkheid had gegeven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 57310 tot 60484.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a | shasum -a 256