Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Onder 4.14 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.
Art. 225 lid 4 Rv stond op 26 januari 2021 (het moment waarop [eiser] zijn akte tot schorsing van het geding indiende) nog niet aan schorsing van het geding in de weg. Op grond van art. 225 lid 4 Rv (jo. art. 353 Rv) kan schorsing niet meer plaatsvinden nadat de dag is bepaald waarop het arrest zal worden uitgesproken. Art. 225 lid 4 Rv stemt blijkens de parlementaire geschiedenis inhoudelijk overeen met de voorloper van deze bepaling, art. 255 lid 1 Rv (oud), waarin was bepaald dat schorsing niet meer kan plaatsvinden wanneer het geding in staat van wijzen is. De ratio van dat voorschrift was en is dat in dat stadium van het geding geen aanleiding meer bestaat om het geding nog te schorsen; door partijen behoeven dan immers geen processuele handelingen meer te worden verricht waarbij de processuele houding moet worden overwogen, zodat zij er geen, althans onvoldoende belang meer bij hebben dat de procedure wordt geschorst. In het algemeen gold voor 1 januari 2002 dat sprake was van in staat van wijzen nadat de stukken waren overgelegd voor het wijzen van vonnis of arrest; naar huidig recht is dat, zoals ook tot uitdrukking is gebracht in het huidige art. 225 lid 4 Rv, vanaf het moment dat de datum van vonnis of arrest is bepaald. Dit onderscheid laat zich verklaren doordat bij het op 1 januari 2002 in werking getreden herziene burgerlijk procesrecht het fourneren van stukken, althans in de wet, is afgeschaft. Art. 255 lid 2 en lid 3 Rv (oud) bevatten echter enkele bijzondere voorschriften aan de hand waarvan kon worden vastgesteld of het geding in staat van wijzen is. Voor de drie facultatieve schorsingsgronden (thans geregeld in art. 225 lid 1 Rv) was dat volgens art. 255 lid 2 Rv (oud) “zoodra de conclusien op de teregtzitting zijn genomen” en voor de schorsingsgronden van rechtswege (thans geregeld in art. 226 lid 1 Rv) was dat volgens art. 255 lid 3 Rv (oud) “na den afloop der pleidooijen”. Wat van dat onderscheid zij, waar het steeds om draaide en draait is de gedachte dat geen grond meer bestaat voor schorsing als het inhoudelijke partijdebat is afgerond en de rechter “aan zet” is. In een arrest van het gerechtshof Den Bosch van 21 september 2021 komt deze ratio van art. 225 lid 4 Rv bijvoorbeeld ook naar voren in een geval waarin strikt genomen nog aanleiding bestond voor schorsing van rechtswege ex art. 226 lid 1 Rv, omdat het verlies van hoedanigheid van advocaat had plaatsgevonden voordat een datum was bepaald waarop het arrest zou worden uitgesproken. Het hof overwoog desalniettemin dat de zaak zonder schorsing werd voortgezet:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 65279 tot 68273.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a | shasum -a 256