Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Onder 4.16 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.

Mede tegen deze achtergrond bezie ik nu de klachten van het subonderdeel. De hiervoor aangehaalde passages uit de (eerste) akte van 8 februari 2021 van [verweerder] illustreren nog eens dat het hof bij zijn oordeel in rov. 5.3 niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden (zie onder 4.10 hiervoor). Voor zover het subonderdeel niet al deze omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen bij de afwijzing van het schorsingsincident in ogenschouw heeft genomen, gaat het uit van een te beperkte lezing van het arrest en faalt het daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel terecht tot uitgangspunt neemt dat [eiser] in zijn akte tot schorsing van het geding van 26 januari 2021 (nog) niet was gehouden het door het hof verlangde inzicht te verschaffen, had het in ieder geval ná de door [verweerder] in zijn beide akten van 8 februari 2021, gestaafd met producties, naar voren gebrachte onduidelijkheden omtrent de eigendomsoverdracht naar de stichting, wél op de weg gelegen van [eiser] om opheldering te geven over (zijn betrokkenheid bij) de stichting. Hij heeft daartoe in zijn akte van 9 maart 2021 ook gelegenheid gehad, maar heeft die niet althans onvoldoende benut om toe te lichten hoe de vork in de steel zit met betrekking tot de transactie met de stichting (zie ook onder 4.10 hiervoor). Het hof kon daarom, anders dan het subonderdeel stelt, wel degelijk tot afwijzing van de schorsing komen. Voor zover het subonderdeel vooruit verwijst naar subonderdeel 2.4, deelt het in het lot van dat subonderdeel (zie onder 4.18 hierna). Het subonderdeel richt zich in het bijzonder tegen het door het hof in het onderhavige geval verlangde inzicht in de vraag of de rechtsopvolger onder bijzondere titel (hier: de stichting) het geding op eigen naam wil voortzetten. Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat in beginsel bij een beroep op schorsing geen inzicht in deze omstandigheid kan worden verlangd. Het oordeel van het hof komt er echter op neer dat het er, gelet op de door [verweerder] aangevoerde omstandigheden, alle schijn van heeft dat [eiser] direct of indirect is betrokken bij de stichting, althans dat hij na daartoe nog in de gelegenheid te zijn gesteld, daarover onvoldoende duidelijkheid heeft geschapen. In de aldus gegeven bijzondere omstandigheden van het geval mocht het hof daarom m.i. wel verlangen dat [eiser] (in ieder geval in zijn akte van 9 maart 2021, waarin hij zijn betrokkenheid bij de stichting nadrukkelijk in het midden heeft gelaten, zie ook onder 4.10 hiervoor) inzicht zou hebben verschaft over de bereidheid van de stichting om het geding op eigen naam en met overname van eventuele verplichtingen voortvloeiend uit deze procedure voort te zetten. Het oordeel van het hof geeft in zoverre geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook alleszins begrijpelijk. Hierop stuit het subonderdeel af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 70482 tot 73432.