Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Onder 4.17 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:871.
Subonderdeel 2.4 is gericht tegen de voorlaatste en laatste volzin van rov. 5.3. Het subonderdeel stelt dat voor zover dat oordeel berust op wat het hof daaraan voorafgaand in rov. 5.3 overweegt, het reeds niet in stand kan blijven als het daartegen gerichte subonderdeel 2.3 slaagt. Het subonderdeel voegt daar nog aan toe dat in dit geval voor schorsing van het geding volstaat dat (i) sprake is van eigendomsoverdracht en daarmee van rechtsopvolging onder bijzondere titel en (ii) dat een tot schorsing strekkende akte wordt genomen, zonder dat een nadere toelichting is vereist, en dat art. 225 Rv beoogt om (onder meer) de rechtsopvolger enige tijd te bieden voor onderzoek en/of beraad. Aan deze regeling is volgens het subonderdeel inherent dat de wederpartij van de partij die de schorsing inroept enige tijd in het ongewisse blijft, althans kan blijven, omdat niet (meteen) duidelijk is of een partijwisseling zal plaatsvinden. Die onduidelijkheid zal doorgaans bestaan totdat de oorspronkelijke gerechtigde (hier: [eiser] ) en/of zijn rechtsopvolger (hier: de stichting), na het onderzoek en het beraad waarvoor art. 225 Rv gelegenheid beoogt te bieden, het geding hervat(ten) door een daartoe strekkende akte of verklaring bij exploot. Daarnaast kan die wederpartij (hier: [verweerder] ) zelf het geding hervatten door, voor zover hier van belang, bij exploot te verklaren dat het geding wordt hervat. In beide gevallen zal of zullen de partij(en) aan wiens zijde de schorsingsgrond was opgekomen zich er na de hervatting over moeten uitlaten wie van hen het geding zal (of zullen) voortzetten. Gelet op de mogelijkheid van hervatting door de wederpartij zelf heeft deze het volgens het subonderdeel in belangrijke mate zelf in de hand hoe lang hij in het ongewisse blijft en in hoeverre de procedure en daarmee het eventueel verkrijgen van de door hem gewenste titel door een schorsing vertraging oploopt. In het licht van deze wettelijke regeling kunnen, anders dan het hof heeft geoordeeld, de omstandigheden dat (nog) onduidelijk is of (hier) [eiser] en/of de stichting een partijwisseling zullen bewerkstelligen, zodat [verweerder] daaromtrent (vooralsnog) in het ongewisse blijft, en dat [verweerder] de titel die hij wenst nog enige tijd wordt onthouden, volgens het subonderdeel niet meebrengen dat de schorsing wordt afgewezen. Het oordeel van het hof getuigt daarom volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval is volgens het subonderdeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom deze – aan de schorsingsregeling inherente – omstandigheden in dit geval afwijzing van de schorsing zouden rechtvaardigen. In het bijzonder is volgens het subonderdeel niet in te zien waarom niet van [verweerder] kon worden verlangd dat hij, na een schorsing van het geding, [eiser] en/of de stichting had opgeroepen op de door de wet voorgeschreven wijze, te weten bij exploot (art. 227 lid 1, onder b, Rv). [eiser] en/of de stichting had(den) zich dan vervolgens, na de door art. 225 Rv beoogde termijn voor onderzoek en beraad, kunnen uitlaten over het vervolgen van het geding. In het verlengde van een en ander is volgens het subonderdeel ook niet begrijpelijk dat [verweerder] , zoals de slotzin van rov. 5.3 inhoudt, een processueel belang zou hebben bij onverwijlde voortzetting van het geding, althans niet een zodanig belang dat (mede) dit in de weg zou staan aan schorsing. Ten aanzien van de slotzin van rov. 5.3 wijst het subonderdeel nog op het volgende. Ten eerste is volgens het subonderdeel de omstandigheid dat [verweerder] een processueel belang zou hebben bij onverwijlde voortzetting van het geding niet relevant, althans niet (in overwegende mate) bepalend, voor het antwoord op de vraag of een rechtsgeldige schorsing heeft plaatsgevonden dan wel dat een schorsing moet worden ‘toegewezen’ of ‘afgewezen’. Door deze omstandigheid toch aan zijn ‘afwijzing’ van de schorsing ten grondslag te leggen, heeft het hof volgens het subonderdeel dan ook de verkeerde maatstaf gehanteerd, althans blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is volgens het subonderdeel in het licht van de gedingstukken niet in te zien dat een belang van [verweerder] bij onverwijlde voortzetting zo zwaar zou wegen dat het aan schorsing in de weg staat. [verweerder] heeft volgens het subonderdeel niet gesteld dat hij belang heeft bij onverwijlde voortzetting van het geding en/of bij een spoedige verkrijging van een titel, laat staan een bijzonder belang. Gelet op het ontbreken van een dergelijke stelling van [verweerder] is het hof, door zijn oordeel toch op dit belang van [verweerder] te baseren, ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het de afwijzing van de schorsing gebaseerd op een feitelijke grond die [verweerder] niet aan zijn verweer tegen de schorsing ten grondslag had gelegd, aldus nog steeds het subonderdeel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a, en de alinea staat in dat document op bytes 73496 tot 78584.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45925d2119bdb9c4bdcc3a863d27cab054df467cd08ffc30dc95fe3707aa908a | shasum -a 256