Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Onder 2.22 Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:963.

Dit argument noopte het hof niet tot het nemen van een andere beslissing. Het hof heeft niet beslist dat de behandeling van dit verzoek moet worden aangehouden totdat de strafzaak tegen de vermogensbeheerder c.s. tot een onherroepelijk geworden einduitspraak heeft geleid. De Advocaten hebben bij akte van 23 maart 2021 de raadkamerbeschikking van 19 maart 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:6121) aan het hof overgelegd. In die beschikking heeft de rechtbank het door twee van de Advocaten namens de vermogensbeheerder c.s. ingediende bezwaar tegen de beschikking van de rechter-commissaris voor strafzaken van 15 januari 2020 gegrond verklaard, laatstgenoemde beschikking vernietigd en hun verzoek tot het horen van een achttal getuigen alsnog toegewezen. Het hof citeert in rov. 14.15 van TB4 uit die raadkamerbeschikking en overweegt in rov. 14.16 dat zowel de verzoeken in de onderhavige (civiele) zaak als de verzoeken van de verdediging die voorwerp waren van de strafraadkamerbeschikking van 19 maart 2021, zijn gericht op mogelijke schendingen van het verschoningsrecht in het kader van de inbeslagname van de gegevens bij het hostingbedrijf en het accountantskantoor en op het bepalen van de omvang daarvan, zij het met een ander doel voor ogen. Het hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het inwilligen van het onderhavige verzoek om een voorlopig getuigenverhoor in feite ertoe zal leiden dat over dezelfde onderwerpen getuigen worden gehoord “waarvan sommigen al zowel door de strafrechter als civiele rechter zijn (of binnenkort worden) gehoord in het kader van de zaak tegen of betreffende de vermogensbeheerder c.s. conform de onderzoekswensen van twee van de Advocaten”. Dit toont mijns inziens dat het hof in zijn vierde tussenbeschikking niet voor onbepaalde tijd de behandeling van het verzoek heeft uitgesteld, maar − op basis van concrete en recente − gegevens een inschatting heeft gemaakt van de tijd die nodig is voor het onderzoek in de strafzaak (het verhoor van getuigen door de R-C in strafzaken en een evaluatie daarvan) en dat het hof dus de door HR 7 september 2018 vereiste belangenafweging heeft gemaakt. De uitkomst van die afweging is nauw verweven met een waardering van de feiten die aan het hof als feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts op begrijpelijkheid van de redengeving kan worden getoetst.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/577208a46e82a804018af2750d2d44ea57b31cc37d396ecdf8dbe7e46bd893fc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 577208a46e82a804018af2750d2d44ea57b31cc37d396ecdf8dbe7e46bd893fc, en de alinea staat in dat document op bytes 91718 tot 94154.