Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 april 2023

Onder 4.33 Parket bij de Hoge Raad 21 april 2023

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:450.

Het oordeel van het hof komt er dus in de kern op neer dat [eiseres] al voor 2011 had kunnen ageren tegen Deutsche Bank. Er waren toen naar het oordeel van het hof reeds feiten en omstandigheden die grond gaven om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank in het kader van haar kredietrelatie met [eiseres] in twijfel te trekken. De waardering van die feiten en omstandigheden komt aan de feitenrechter toe. Dat oordeel dient echter wel begrijpelijk en toereikend gemotiveerd te zijn. Daarvan is m.i. geen sprake. De motiveringsklacht van het subonderdeel dient in zoverre te slagen. Het hof licht niet toe om welke prestaties van Deutsche Bank het ging, welke zorgplicht(en) van de bank meebracht(en) dat zij tot die prestaties was gehouden en/of waarom de genoemde feiten en omstandigheden op een tekortkoming in die prestaties wezen. Het is m.i. niet duidelijk op welke gemaakte afspraken en toezeggingen het hof in deze zaak het oog heeft. Dat de renteswap 2008 een negatieve waarde ontwikkelde en Deutsche Bank meer rente of hogere opslagen in rekening bracht, hoefde niet zonder meer een belletje te doen rinkelen bij [eiseres] (zie ook onder 4.24 hiervoor). Daarmee is immers nog niet gezegd dat de bank iets te verwijten valt ter zake dit vermogensnadeel van [eiseres] , anders gezegd dat voor [eiseres] redelijkerwijs (her)kenbaar zou moeten zijn geweest dat hier sprake was van schade in de zin van art. 6:95 e.v. BW waarvoor zij Deutsche Bank aansprakelijk kon stellen. Uit de omstandigheid, die het hof in r.o. 4.3 ook in aanmerking neemt, dat [eiseres] niet ontkent dat zij op 20 december 2016 al meer dan vijf jaar bekend was met “de schade” (hogere opslagen, negatieve marktwaarde van de renteswap ten gevolge van dalende rente) kan m.i. ook niet meer worden afgeleid dan dat [eiseres] erkent dat zij vermogensnadeel heeft geleden. Zij heeft daarmee niet erkend dat zij op dat moment reeds voldoende zekerheid had dat haar vermogensnadeel (de schade) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank. Integendeel, uit de stellingen van [eiseres] blijkt immers dat het voor haar eind 2016 pas ‘voldoende zeker’ was dat de schade werd veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank. Het hof lijkt verder veel waarde te hechten aan het ontbreken van geruststellende mededelingen van de zijde van Deutsche Bank (zie zowel het eerste als laatste hiervoor weergegeven gedachtestreepje). Of geruststellende mededelingen zijn gedaan, is op zichzelf een omstandigheid die bij het beoordelen van een beroep op Belastingadvies Maltaroute een rol kan spelen (zie onder 4.14 hiervoor). Aan het ontbreken van dergelijke mededelingen van de zijde van de bank dient m.i. echter niet te zwaar te worden getild. Wanneer de cliënt nog onvoldoende aanleiding heeft om schade als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de bank aan te nemen, hoefde er voor de bank immers ook geen aanleiding te bestaan om (in reactie op klachten van de klant) geruststellende mededelingen te doen (zie ook onder 4.30 hiervoor). In dat kader is van belang dat vast staat dat [eiseres] zich nooit eerder dan eind 2016 over het handelen van Deutsche Bank heeft beklaagd: “De stelling van Deutsche bank dat [eiseres] zich juist nooit eerder dan eind 2016 over het handelen van Deutsche Bank heeft beklaagd […] vindt steun in de eigen stellingen van [eiseres] ” (zie r.o. 4.3).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bf4dcd4e9c458ccc030cfc81a26594479e1d5419e9ebb4f5c7034476917310e3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bf4dcd4e9c458ccc030cfc81a26594479e1d5419e9ebb4f5c7034476917310e3, en de alinea staat in dat document op bytes 134997 tot 138687.