Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juli 2023

Onder 3.3.2 Parket bij de Hoge Raad 28 juli 2023

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juli 2023, ECLI:NL:PHR:2023:697.

Ieder kind krijgt krachtens art. 4:13 lid 3 BW van rechtswege ten laste van de langstlevende echtgenoot een geldvordering overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Voor het bepalen van het saldo van de nalatenschap gaat het niet alleen om het saldo van de goederen en van de schulden van de erflater (vgl. art. 4:7 lid 1 onder a BW), maar ook om andere schulden van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW. De omvang van de geldvorderingen van de verschillende kinderen behoeft bij gelijke erfdelen overigens niet dezelfde te zijn, omdat bijvoorbeeld rekening moet worden gehouden met eventuele ‘inbreng’ van giften op de voet van art. 4:229 e.v. BW. Deze geldvorderingen zijn pas opeisbaar bij overlijden van de langstlevende echtgenoot, dan wel bij diens insolventie of in de door erflater bij uiterste wilsbeschikking bepaalde gevallen (art. 4:13 lid 3 BW). Hetzelfde geldt voor stiefkinderen indien dit, zoals in dit geval, bij uiterste wilsbeschikking is bepaald (art. 4:27 in verbinding met art. 4:8 lid 3 BW). Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de geldvorderingen niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld (art. 4:15 lid 1 BW).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e9f70d21dd14bf0bfa5a3184656ea0de23c2bfe34991166ef996a0e42ebb7221. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e9f70d21dd14bf0bfa5a3184656ea0de23c2bfe34991166ef996a0e42ebb7221, en de alinea staat in dat document op bytes 30822 tot 32338.