Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 2024

Onder 3.50 Parket bij de Hoge Raad 1 november 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1150.

Met betrekking tot de volgens de man door de vrouw tegen de Rabobank in te roepen ‘verweren’ is niet meer gesteld dan dat deze beschikbaar waren. In het bijzonder is niets gesteld dat zou meebrengen dat het door de vrouw instellen van een regresvordering op grond van art. 6:10 lid 2 BW tegen de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dat licht heeft het hof – ook bij welwillende lezing van de door de procesinleiding aangehaalde vindplaatsen van de memorie van grieven – kunnen volstaan met zijn oordeel in rov. 5.10 dat het enkele feit dat een tot betaling aangesproken hoofdelijk schuldenaar de eis had kunnen afweren met een beroep op een verweermiddel maar hij dit nalaat, niet afdoet aan de toepasselijkheid van art. 6:10 lid 2 BW. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/27d76f134943790046ed81f175f3ef28608ec2dcd1f1c776e44cae535c0adde6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 27d76f134943790046ed81f175f3ef28608ec2dcd1f1c776e44cae535c0adde6, en de alinea staat in dat document op bytes 78628 tot 79518.