Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2024

Onder 4.42 Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:119.

Deze klachten falen, omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof de stelplicht en bewijslast in het kader van art. 1:85 BW niet, ook niet in rov. 3.8, bij [eiser] gelegd. Het hof heeft, zoals het subonderdeel ook onderkent, de verdeling van stelplicht en bewijslast in rov. 3.4 op de juiste wijze weergegeven en deze vervolgens in rov. 3.7 en 3.8 toegepast. Die toepassing komt erop neer dat [eiser] tegenover de stellingen van [verweerster] zijn betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee legt het hof niet (alsnog) de stelplicht bij [eiser] , maar komt het tot de conclusie dat [eiser] in het licht van de stellingen van [verweerster] niet aan de op hem rustende motiveringsplicht ter zake van zijn betwisting heeft voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/accaa0fe181c81091e2429d3aa7cca3bde0eabaec629ec90160d9b4831de4f1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt accaa0fe181c81091e2429d3aa7cca3bde0eabaec629ec90160d9b4831de4f1e, en de alinea staat in dat document op bytes 64933 tot 65832.