Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2024

Onder 3.39. Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1313.

35. Daaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat de verdachte – mogelijk – heeft gehoopt dat ‘het geld er komt’ en, zo begrijp ik, aanvoert bereid te zijn in dat geval de geleende bedragen terug te betalen, niet meebrengt dat de bewijsvoering van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling tekortschiet. Die mogelijke hoop en bereidheid doen er niet aan af dat de verdachte heeft beseft dat de op de bewezenverklaarde gedragingen volgende afgifte van geldbedragen met zich bracht dat hij bevoordeeld werd. Vastgesteld behoeft niet te worden dat verdachte ‘nimmer de intentie had om deze bedragen terug te betalen’. En ook de omstandigheid dat de verdachte niet in staat is de bedragen terug te betalen doet niet aan de toereikendheid van de bewijsvoering van het oogmerk af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/da21f95dac3fc35054b1005196c2e164abfeb0805ef2ea6eec1c4e8801c32b3b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt da21f95dac3fc35054b1005196c2e164abfeb0805ef2ea6eec1c4e8801c32b3b, en de alinea staat in dat document op bytes 161702 tot 162505.