Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2024
Onder 3.47 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:367.
Het zou zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn hoe het hof tot zijn oordeel in rov. 5.4-5.5 is gekomen dat [betrokkene 2] moest begrijpen dat [erflater] de verzoeken van [betrokkene 2] opvatte als verzoek om financiering aan (ook) Solidiam te verstrekken, terwijl de naam ‘Solidiam’ niet is genoemd in gesprekken en [erflater] heeft verklaard hoe hij de gesprekken opvatte (namelijk: als verzoeken om geld te verstrekken aan [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in privé). Volgens het subonderdeel zijn hierbij ook relevant de stellingen van [erflater] waarnaar Solidiam zou hebben verwezen, en dat [erflater] vanaf het verstrekken van de lening in 2010 tot aan het overlijden van [betrokkene 2] in 2017 heeft volgehouden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geldnemers waren en daar ook naar heeft gehandeld. Tot de beweerdelijke essentiële stellingen van Solidiam in dit verband zouden volgens het subonderdeel (verder) behoren: (i) de verklaringen van [erflater] dat hij nooit geld uitleende aan rechtspersonen, maar in dit soort gevallen als privépersoon een lening verstrekt aan andere privépersonen zodat hij die rechtstreeks en persoonlijk kan aanspreken, (ii) de stellingen van [erflater] en/of Solidiam waarin erop wordt gewezen en/of waaruit volgt dat de vraag om geld een verzoek van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] was, (iii) de stelling dat [erflater] niet een verzoek van een vennootschap zou hebben ingewilligd, omdat hij niet een vriendschappelijke verstandhouding had met een vennootschap (waarbij wordt verwezen naar de handelingen die zouden hebben moeten plaatsvinden bij het verstrekken van een lening aan een vennootschap) , en (iv) de karakterisering door [erflater] dat het feit dat partijen vennootschappen gebruiken er niet aan afdoet dat zaken worden gedaan met natuurlijke personen. Gezien al deze verklaringen van [erflater] zou het onaannemelijk zijn dat [erflater] een andere geldnemer dan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in gedachten had, en zou het evenzeer onaannemelijk zijn dat [betrokkene 2] , die een vriend van [erflater] zou zijn geweest, en die hem dus goed kende, de telefoongesprekken op een geheel andere wijze dan [erflater] zou hebben opgevat. Om deze reden zou het oordeel van het hof over hoe zowel [erflater] als [betrokkene 2] de verzoeken van [betrokkene 2] hebben opgevat onbegrijpelijk zijn. Het hof zou voorts de essentiële stellingen van Solidiam over de zaken die in rov. 5.4-5.5 aan de orde zijn ten onrechte niet (kenbaar) hebben betrokken in zijn overwegingen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d3f2ef5c9759b73c91d6e1312f9cd6e03243e278647a0ada01bce0d9aa11f8f4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d3f2ef5c9759b73c91d6e1312f9cd6e03243e278647a0ada01bce0d9aa11f8f4, en de alinea staat in dat document op bytes 77206 tot 80150.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d3f2ef5c9759b73c91d6e1312f9cd6e03243e278647a0ada01bce0d9aa11f8f4 | shasum -a 256