Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2024
Onder 3.3 Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:37.
De voorzieningenrechter heeft op zichzelf de vrijheid om een voorziening te weigeren omdat de zaak niet geschikt is voor een kort geding (art. 256 Rv), bijvoorbeeld omdat deze bewijslevering vergt waarvoor het kort geding zich niet goed leent. Volgens genoemde rechtspraak moet de voorzieningenrechter echter vanwege zijn genoemde plicht tot het verlenen van rechtsbescherming terughoudend zijn met gebruik van deze vrijheid. Het komt er dus op neer dat de kortgedingrechter de vordering in beginsel dient te beoordelen en te beslissen en slechts in bijzondere gevallen daarvan kan afzien omdat de zaak niet voor een kort geding geschikt is. Daarbij moet het dus gaan om gevallen waarin een beoordeling van de vordering in kort geding niet goed mogelijk is. Of dat laatste het geval is, vergt een beoordeling van feitelijke aard, die is overgelaten aan de kortgedingrechter.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/95b9ada12808e128b46af0c2874b70882489304a989db836808bf2cf2fc1cdc1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 95b9ada12808e128b46af0c2874b70882489304a989db836808bf2cf2fc1cdc1, en de alinea staat in dat document op bytes 29182 tot 30203.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/95b9ada12808e128b46af0c2874b70882489304a989db836808bf2cf2fc1cdc1 | shasum -a 256