Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2024

Onder 4.19 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:377.

Overigens kán bij twijfel over de juiste uitleg van de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen iedere Nederlandse rechter en móét de Hoge Raad op de voet van art. 267 VWEU een prejudiciële vraag van uitleg stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ of het Hof ), indien hij van oordeel is dat een antwoord op die vraag noodzakelijk is voor de te nemen beslissing. Hierbij past de kanttekening dat de verplichting voor de Hoge Raad om bij twijfel een prejudiciële vraag te stellen niet geldt in kort geding, in welk geval de uitspraak van de voorzieningenrechter de bodemrechter niet bindt (art. 257 Rv) en elke partij een bodemprocedure aanhangig kan maken waarin (alsnog) prejudiciële vragen aan het Hof kunnen worden gesteld over de rechtsvraag die in kort geding aan de orde is. Dit wil uiteraard niet zeggen dat de Hoge Raad in een kort geding geen prejudiciële vragen zou kunnen stellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e116113fe04a13418ca409d3f257fb5f4b8024a423a12c8556b6384eed899dce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e116113fe04a13418ca409d3f257fb5f4b8024a423a12c8556b6384eed899dce, en de alinea staat in dat document op bytes 88938 tot 90330.