Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2024
Onder 4.9 Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:774.
Samengevat betekent het voorgaande dat uit het vermoeden van onschuld voortvloeit dat een verdachte een zwijgrecht heeft en in algemene zin niet hoeft mee te werken aan zijn veroordeling (het nemo tenetur-beginsel) (4.3). Dat neemt niet weg dat uit het zwijgen van een verdachte voor hem nadelige ‘commonsense’ conclusies kunnen worden getrokken in situaties die ‘clearly call for an explanation’ (4.6). Hoewel de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet als bewijs kan gelden, kan de rechter wel in zijn bewijsoordeel betrekken dat de verdachte niet een redelijke verklaring heeft gegeven voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit (3.22 en 4.8).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2367653e87a58050f865376b75096e1785caea59941bcc13367e53cbd3d06e49. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2367653e87a58050f865376b75096e1785caea59941bcc13367e53cbd3d06e49, en de alinea staat in dat document op bytes 97136 tot 98035.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2367653e87a58050f865376b75096e1785caea59941bcc13367e53cbd3d06e49 | shasum -a 256