Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 september 2024

Onder 6.1 Parket bij de Hoge Raad 6 september 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:916.

Vóór 1 januari 2001 werd een tweede eigen woning in de heffing van inkomstenbelasting betrokken met overeenkomstige toepassing van de regels die golden voor een eerste eigen woning. Volgens art. 42a(1) Wet IB 1964 was de eerste eigen woning de eigen woning die anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat van de belastingplichtige of de personen die behoren tot zijn huishouden. Die bepaling rekende de huurwaarde van de eerste eigen woning tot de zuivere inkomsten. Zij stelde daartoe de huurwaarde op 1,25% van de waarde in het economische verkeer van de eerste eigen woning, welk percentage afnam naarmate die waarde toenam. Diezelfde bepaling rekende andere voordelen van de eerste eigen woning niet tot de zuivere inkomsten. Daartoe rekende zij evenmin kosten, lasten of afschrijvingen ter zake van de eerste eigen woning, behalve renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen voor de rechten van erfpacht, opstal of beklemming. Art. 42a(1) Wet IB 1964 (tekst 2000) luidde als volgt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/129fd375439421d97aef560f7c887a1b87739732f401d636e17594f2ca9a27de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 129fd375439421d97aef560f7c887a1b87739732f401d636e17594f2ca9a27de, en de alinea staat in dat document op bytes 109728 tot 110874.