Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Onder 4.22 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.
Dat het hof de stellingen van UIB heeft samengevat in r.o. 6.13 als het verwijt dat [eiser 2] /ZZC heeft geweten dat VFI de bananen van EBT verkocht onder de marktprijs en in 6.14 dat de EBT-bananen werden verkocht voor onzakelijke prijzen, vind ik niet onbegrijpelijk. Afgezien van de stelling dat ‘de EBT-bananen bovendien van inferieure kwaliteit waren, onjuist verpakt en te rijp verscheept’ zien genoemde stellingen hoofdzakelijk op de betaalde prijs. Het hof was genoodzaakt de stellingen uit de tamelijk omvangrijke processtukken samen te vatten. Dat een kwalificatie als ‘op onzakelijke voorwaarden’ of iets dergelijks wellicht treffender was geweest maakt de overweging van het hof in dit geval niet onbegrijpelijk. Daarnaast noemt het hof in r.o. 6.6, in de laatste zin, wel meer algemeen het op onzakelijke wijze afhandelen door VFI. In die – in cassatie niet bestreden – rechtsoverweging noemt het hof ook afzonderlijk het handelen van [eiser 2] /ZZC nadat hij/zij wist/vermoedde dat de handel in bananen een dekmantel vormde voor cocaïnesmokkel. In ieder geval de wijze van verpakking van de bananen raakt meer daaraan dan aan het al dan niet zakelijke karakter van de handel. Op het handelen/nalaten van [eiser 2] /ZZC nadat het vermoeden rees dat de bananenhandel een dekmantel vormde voor cocaïnesmokkel zien r.o. 6.15 e.v. Niet onbegrijpelijk is dus dat het hof hetgeen UIB hierover heeft aangevoerd niet ook betrekt in r.o. 6.13 en 6.14. Van belang is tevens dat r.o. 6.13 en 6.14 er op zien op welk moment [eiser 2] /ZZC van het onzakelijke handelen van VFI op de hoogte raakte. Daarop zien met name de stellingen van UIB in haar brief van 31 mei 2021, waarin zij verwijst naar de gesprekken van [eiser 2] met [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . In de andere in het subonderdeel opgegeven vindplaatsen wordt ter onderbouwing verwezen naar de bij bespreking van subonderdeel 2.2.1 besproken stellingen over de e-mailcorrespondentie tussen ZZC en The Green Grocer, die het hof in r.o. 6.12 in zijn beoordeling heeft betrokken. Ook verwijst UIB in memorie van grieven (xix), onder 8 naar de door haar als productie 32 (p. 7) overgelegde verklaring van [eiser 2] dat in de periode dat de bananen van EBT binnenkwamen het barstte van de cocaïne die met die bananen meekwam en verwijst zij naar een passage uit het als productie F bij conclusie van antwoord overgelegde Hermesrapport. De aangehaalde zin uit de verklaring van [eiser 2] ziet niet op het moment dat [eiser 2] /ZZC wist van het onzakelijke handelen van VFI en in de passage uit het Hermesrapport wordt evenmin melding gemaakt van een datum waarop [eiser 2] /ZZC wist van het ontbreken van een economische rationale. Dat het hof zich in r.o. 6.13 dus met name richt op het door UIB gemaakte verwijt, gelet op hetgeen [eiser 2] heeft of zou hebben verklaard in de gesprekken met [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , is niet onbegrijpelijk. Of [eiser 2] /ZZC wist of EBT al dan niet zicht had op de handelswijze van VFI is pas relevant als vaststaat dat [eiser 2] /ZZC vanaf juli 2012 wist van, kort gezegd, de onzakelijke aard van de handel door VFI. Dat het hof de stellingen van UIB op dit punt niet bespreekt in r.o. 6.13 en 6.14 maakt die overwegingen daarom evenmin onbegrijpelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 69985 tot 73332.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5 | shasum -a 256