Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Onder 4.44 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.
Voor de door het subonderdeel bepleite bijzondere zorgplicht van de dienstverlener voor de integriteit van het goederenverkeer bestaat mijns inziens, gelet op hetgeen UIB heeft gesteld, onvoldoende grond. De logistiek dienstverlener in algemene zin, waaraan het subonderdeel refereert, speelt niet een centrale rol in het goederenverkeer zoals een bank dat doet in het betalings- en effectenverkeer en de dienstverlening terzake. Bij internationale handel in een product als bananen kunnen diverse logistiek dienstverleners betrokken zijn. In het onderhavige geval gaat het in ieder geval om een zeevervoerder, een veemhouder en een wegvervoerder. In algemene zin blijkt niet wie daarbij de centrale speler is. Ook is zonder nadere feitelijke onderbouwing, die in de bij het subonderdeel opgegeven vindplaatsen niet wordt gegeven, niet aannemelijk dat een logistiek dienstverlener deskundiger is ten aanzien van de handel in bananen en de integriteit van de daarbij betrokken partijen dan een exporteur als EBT dat is. Evenmin kan zonder nadere toelichting, die op de opgegeven vindplaatsen ontbreekt, worden gezegd dat een logistiek dienstverlener over meer informatie over of deskundigheid ten aanzien van de door EBT verscheepte bananen of bananen in het algemeen beschikt of geacht moet worden te beschikken dan EBT zelf. Ik merk daarbij op dat tussen partijen vaststaat dat ZZC voor de inklaring, afdracht van invoerrechten, opslag en uitklaring van de bananen van EBT zorgde (zie r.o. 3.2, onder x en r.o. 6.46). Op eventuele specifieke verantwoordelijkheden van ZZC ten aanzien van douaneaangelegenheden voortvloeiend uit haar werkzaamheden en eventuele op haar in dat verband van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen gaat het subonderdeel evenwel niet in en evenmin op de vraag of die eventuele verantwoordelijkheden ook strekken ter bescherming van een exporteur en haar financier. Niet onjuist lijkt mij daarom dat het hof geen bijzonder gewicht toekent aan de maatschappelijke positie van ZZC als logistiek dienstverlener ten opzichte van exporteur EBT en haar financier UIB. Het subonderdeel is in zoverre ongegrond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 103763 tot 106040.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5 | shasum -a 256