Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Onder 4.50 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.

Ook subonderdeel 2.3.5 is gericht tegen het oordeel van het hof dat op [eiser 2] /ZZC geen rechts-/zorgplicht heeft gerust om geen ladingen meer van EBT af te handelen. Het beroept zich op een zestal stellingen, namelijk dat: (i) [eiser 2] wist en begreep dat de EBT-bananenhandel door een bank werd gefinancierd op voorwaarde van verpanding c.q. factoring; (ii) [eiser 2] /ZZC rechtstreeks betrokken was bij de bemiddeling en verkoop van EBT-bananen aan (de niet normale handelaar) The Green Grocer; (iii) [eiser 2] /ZZC wist/begreep dat VFI vanaf juli 2012 de EBT-bananen op onzakelijke voorwaarden aan het verkopen was waarbij EBT en UIB geen volledig en correct zicht hadden op de onzakelijke praktijken van VFI; (iv) [eiser 2] /ZZC in de loop van het tweede kwartaal van 2012 wist/begreep dat de EBT-bananen werden gebruikt als dekmantel voor cocaïnesmokkel; (v) [eiser 2] [betrokkene 4] bij [betrokkene 2] /EBT als handelspartner had geïntroduceerd ondanks dat hij wist dat [betrokkene 4] onbetrouwbaar was en zonder [betrokkene 2] /EBT te informeren dat [betrokkene 4] nog een aanzienlijke schuld had bij ZZC en ZZC er daarom belang bij had dat [betrokkene 4] weer inkomsten zou genereren; (vi) ZZC met VFI afspraken had gemaakt dat VFI – in strijd met de afspraken tussen EBT, VFI en UIB – steeds op eigen naam en voor zichzelf factureerde en incasseerde en dat ZZC daarbij – in strijd met wat juridisch correct en in de praktijk gebruikelijk is – zo heeft gehandeld om naar derden toe iedere link tussen EBT en de EBT-bananen te verhullen om zo te verhinderen dat de financier van EBT (UIB) effectief enig (stil) pandrecht zou kunnen uitoefenen en te voorkomen dat ZZC de dupe zou worden van de verlieslatende praktijken van VFI waarbij [eiser 2] /ZZC de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat VFI de eigendommen die EBT/UIB toekwamen kon verduisteren en EBT/UIB als gevolg van het handelen van VFI grote schade zouden lijden. Het subonderdeel stelt dat het oordeel van het hof op grond van eerdere klachten niet in stand kan blijven voor zover het hof deze met bewijsaanbiedingen gesterkte stellingen als onvoldoende onderbouwd heeft gepasseerd. Voor zover het hof deze stellingen niet (voldoende) kenbaar bij zijn oordeel heeft betrokken, is het onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd en voor zover het hof deze stellingen niet van belang achtte voor de beoordeling, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 110151 tot 112723.