Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Onder 4.65 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.

Subonderdeel 2.4.6 is gericht tegen het oordeel in r.o. 6.20 dat op [eiser 2] /ZZC onder de gegeven omstandigheden geen waarschuwingsplicht rustte jegens UIB, – in de woorden van het subonderdeel – nu naar in rechte moet worden aangenomen [eiser 2] /ZZC eerst begin september 2019 ermee bekend is geraakt dat UIB als financier van EBT fungeerde bij de handel in bananen. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat voor een waarschuwingsplicht richting een financier niet vereist is dat men bekend is met de identiteit van de specifieke financier, terwijl de vaststellingen van het hof een andersluidend oordeel niet kunnen dragen. Ook wijst het subonderdeel erop dat door UIB is gesteld dat [eiser 2] vanaf het begin wist dat de EBT-bananenhandel door een bank op voorwaarde van verpanding c.q. factoring zou worden gefinancierd en ook dat [eiser 2] wist dat UIB de financier was, althans dat hij dit gemakkelijk kon achterhalen. Het subonderdeel stelt dat indien het hof aan deze stellingen voorbij is gegaan omdat daartoe door UIB onvoldoende zou zijn gesteld of onderbouwd, dat oordeel op de in subonderdelen 2.2.1.b en 2.2.4-2.2.5 (over de stelplicht, verzwaarde motiveringsplicht en art. 21 Rv) genoemde gronden onjuist, dan wel onbegrijpelijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 122330 tot 123655.