Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Onder 4.67 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.
De stelling dat ZZC al voor september van het bestaan van de tussen UIB en EBT gesloten factoringovereenkomst op de hoogte is geraakt, doet niet af aan voornoemde overweging in de eerste zin van r.o. 6.20 dat van [eiser 2] /ZZC geen onderzoek naar de identiteit van de financier van EBT gevergd kon worden. Dat [eiser 2] /ZZC ermee bekend zou zijn dat de financier een bank zou zijn, maakt de zoektocht naar de identiteit van de financier mogelijk eenvoudiger, maar dat wil niet zeggen dat zij van [eiser 2] /ZZC gevergd kon worden, in bijzonder gelet op het feit dat bij [eiser 2] /ZZC het idee bestond dat [betrokkene 2] /EBT verantwoordelijk was voor/afwist van de aanwezigheid van cocaïne in de ladingen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 124436 tot 125159.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5 | shasum -a 256