Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Onder 4.69 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.

Uit deze passages uit de verklaring van [betrokkene 6] en de transcriptie blijkt niet dat [eiser 2] zou hebben verklaard dat hij er al voor september 2012 van op de hoogte was dat UIB de bank was die de bananenhandel financierde. Niet onbegrijpelijk is dus dat het hof aan de stelling van UIB bij pleidooi voorbij is gegaan, nog afgezien van het feit dat die stelling te laat, ook na de brief van 31 mei 2021, is aangevoerd. Het hof heeft daarmee geen te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van UIB, of te lage eisen aan de betwisting door ZZC c.s. Ook kan niet gezegd worden dat informatie over het moment waarop [eiser 2] /ZZC wist dat UIB de financier van EBT was tot het domein van ZZC c.s. behoort. Tot slot merk ik op dat de verwijzing naar subonderdeel 2.2.5 niet relevant is, want de in het onderhavige subonderdeel aangehaalde stellingen worden daar niet genoemd. Subonderdeel 2.4.6 is ongegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 127744 tot 128663.