Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Onder 4.75 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.

Dit subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof geeft in r.o. 6.23 en 6.24 de stellingen van UIB weer en noemt daar expliciet dat UIB stelt dat op [eiser 2] /ZZC de rechtsplicht heeft gerust een betrouwbare zakenpartner bij [betrokkene 2] /EBT te introduceren welke rechtsplicht [eiser 2] /ZZC heeft geschonden door [betrokkene 4] /VFI aan te bevelen als partner voor de verkoop van de bananen. Als ter onderbouwing van dit verwijt door UIB genoemde feiten noemt het hof in r.o. 6.24 dat [eiser 2] /ZZC wist dat [betrokkene 4] (althans zijn eerdere vennootschap QDF) failliet was gegaan, dat [eiser 2] /ZZC op de hoogte was van de eerder door [betrokkene 4] gepleegde factoringfraude en dat [eiser 2] /ZZC nog geld tegoed had van VFI en dus belang erbij had dat VFI een nieuwe zakenpartner zou vinden. Het hof ziet de verantwoordelijkheid van [eiser 2] /ZZC echter beperkter dan UIB die heeft bepleit. Naar het oordeel van het hof kan ZZC als logistiek dienstverlener in beginsel niet door EBT en UIB verantwoordelijk worden gehouden voor het risico dat zij mogelijk schade zouden kunnen lijden doordat zij zaken deden met – naar achteraf is gebleken – onbetrouwbare partijen. ZZC mocht erop vertrouwen dat EBT en haar eventuele financier(s) zelf zouden onderzoeken/beoordelen of de door hen bij de handel ingeschakelde zakenpartners/hulppersonen zodanig betrouwbaar/solvabel waren dat zij daarmee zaken wensten te (blijven) doen. (r.o. 6.26) Met name indien [eiser 2] /ZZC ermee bekend zou zijn geweest dat [betrokkene 4] zakelijk onbetrouwbaar was/‘in de drugs zat’ en hij/zij hem desalniettemin, zonder enige waarschuwing, heeft voorgesteld aan EBT/ [betrokkene 2] om zo te bewerkstelligen dat VFI weer enige omzet zou kunnen realiseren, sluit het hof niet uit dat EBT aan [eiser 2] /ZZC een verwijt zou kunnen maken van het introduceren van [betrokkene 4] als zakenpartner. (r.o. 6.27) Uit r.o. 6.28, slot, leid ik af dat het hof daarbij met bekendheid met zakelijke onbetrouwbaarheid doelt op bekendheid met eerder gepleegde factoringfraude/eerdere malversaties. Alleen het verzwijgen van bekendheid bij [eiser 2] /ZZC van het eerdere zakelijke faillissement en/of de slechte administratievoering en/of een bestaande vordering op [betrokkene 4] en/of diens (failliete) vennootschap acht het hof namelijk niet onrechtmatig gelet op alle overige omstandigheden van het geval. (r.o. 6.29)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 132386 tot 134818.