Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Onder 4.78 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.

Op de in subonderdeel 3.2.1 opgegeven vindplaatsen heeft UIB haar stelling dat [eiser 2] /ZZC wist dat [betrokkene 4] /VFI onbetrouwbaar was, in het bijzonder, gelet op het gewicht dat het hof daaraan toekent, dat [eiser 2] /ZZC wist van de (veroordeling wegens) factoringfraude van [betrokkene 4] als volgt verder onderbouwd en uitgewerkt. Subonderdeel 3.2.1 onder b verwijst naar ‘de stellingen van UIB sub a’. In voetnoot 70 bij subonderdeel 3.2.1, onder a verwijst UIB naar randnr. 135-139 van haar memorie van grieven. UIB heeft daar gewezen op de e-mail van 25 juli 2012 en betwist dat [eiser 2] [betrokkene 2] zou hebben gewaarschuwd voor de chaos in de administratie bij VFI. Het hof heeft deze stellingen voldoende gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken in r.o. 6.29, terwijl het subonderdeel overigens niet vermeldt waarom deze overweging onbegrijpelijk of onjuist zou zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 136537 tot 137505.