Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Onder 4.81 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.

Het subonderdeel bevat een verwijzing naar vindplaatsen waar UIB de door haar gestelde feitelijke gang van zaken bij de introductie van [betrokkene 2] /EBT, zoals door het hof weergegeven in r.o. 6.27, onderbouwt, maar werkt in de hoofdtekst van de procesinleiding onder 3.2.1. in samenhang met 16c, niet heel precies uit tegen de achtergrond van welke door UIB aangevoerde stellingen het oordeel van het hof in r.o. 6.28-6.30, dat UIB die feitelijke gang van zaken onvoldoende heeft onderbouwd, onjuist of onbegrijpelijk is. Mede gelet op de herhaling van de stelling over kennisname van het faillissementsrapport in randnr. 140 van de memorie van grieven waarin UIB het bewijsaanbod doet, meen ik dat toch voor ZZC c.s. in ieder geval voldoende kenbaar geacht moet worden te zijn dat UIB mede het oog heeft op haar stellingen ten aanzien van dat faillissementsrapport. Uit die stellingen blijkt ook dat UIB in ieder geval nader heeft onderbouwd uit welke bron [eiser 2] /ZZC op de hoogte zou kunnen zijn van de eerder door VFI gepleegde factoringfraude. Niet valt in te zien wat UIB meer had moeten stellen over de kennis van [eiser 2] van de onbetrouwbaarheid van VFI toen zij VFI aanbeval bij [betrokkene 2] /EBT. Onjuist of onbegrijpelijk is daarom het oordeel van het hof dat een voldoende gemotiveerde onderbouwing ontbreekt voor de door UIB gestelde feitelijke gang van zaken (r.o. 6.28, 6.30) en dat het hof het door UIB gedane getuigenbewijsaanbod heeft gepasseerd. Dit getuigenbewijsaanbod heeft het hof niet als onvoldoende specifiek en/of irrelevant afgewezen. In r.o. 6.61 gaat het hof alleen nader in op het bewijsaanbod ten aanzien van de wetenschap van [eiser 2] /ZZC in de periode mei/juni/juli 2012 van de (op dat moment gepleegde) factoringfraude van [betrokkene 4] . Gelet op hetgeen ik hiervoor, onder 4.31-4.33 bij de bespreking van subonderdeel 2.2.4 heb opgemerkt, komt geen bijzondere betekenis toe aan schending van de waarheids- en volledigheidsplicht door [eiser 2] /ZZC. Wel is relevant, maar gelet op het feit dat het oordeel van het hof over de stelplicht van UIB ook los daarvan onbegrijpelijk of onjuist is, niet doorslaggevend, dat informatie over het moment waarop [eiser 2] /ZZC op de hoogte raakte van de eerdere factoringfraude van [betrokkene 4] zich in het bewijsdomein van [eiser 2] /ZZC bevindt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 140682 tot 143047.