Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Onder 4.84 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.
Deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft de stellingen van UIB over het introduceren van [betrokkene 4] zo begrepen dat zij [eiser 2] /ZZC onrechtmatige gevaarzetting verwijt. (zie r.o. 6.23) Van onrechtmatige gevaarzetting is sprake als iemand een ander aan een groter risico heeft blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was. Bij de beoordeling of daarvan sprake is zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Relevant is onder meer in hoeverre iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, rekening dient te houden met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zullen worden genomen. In aanmerking dient daarom te worden genomen in hoeverre de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht. R.o. 6.26 laat zich ook in deze normatieve context plaatsen. Hoewel het hier niet gaat om een klassiek geval van gevaarzetting, waarin sprake is van personen- of zaakschade, lenen de kelderluikcriteria en in het bijzonder het in aanmerking nemen van de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, zich wel voor overeenkomstige toepassing op deze zaak. Het hof oordeelt in dit verband dat ZZC erop mocht vertrouwen dat EBT en haar eventuele financier(s) de betrouwbaarheid van haar handelspartners zelf zouden onderzoeken/beoordelen, mede gelet op de aard en omvang van de handel, de daarmee gepaard gaande risico’s en financiële belangen en de verregaande mate van delegatie door EBT aan VFI. Het hof acht de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht dus gering, zo gering dat ZZC als logistiek dienstverlener in beginsel niet door EBT en UIB verantwoordelijk kan worden gehouden voor, kort gezegd, verwezenlijking van het aan introductie van een onbetrouwbare handelspartner verbonden risico. De door UIB gestelde omstandigheid dat [betrokkene 4] nog een aanzienlijke schuld had bij [eiser 2] /ZZC, hij/zij daarom belang had bij het door [betrokkene 4] /VFI verwerven van inkomsten en [eiser 2] [betrokkene 2] /EBT daarover niet heeft geïnformeerd weegt het hof pas na r.o. 6.26, in r.o. 6.27 e.v., mee in zijn beoordeling. Dat maakt de overwegingen van het hof in r.o. 6.26, die een algemener uitgangspunt inhouden, niet onjuist. Het subonderdeel is ongegrond voor zover het is gericht tegen r.o. 6.26. R.o. 6.31 is een overweging ten overvloede. Voor zover het subonderdeel tegen die overweging is gericht behoeft het geen behandeling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 144914 tot 147882.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5 | shasum -a 256