Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Onder 4.92 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.

In r.o. 6.51 parafraseert het hof zijn eerdere oordeel, kort gezegd, dat het niet onbegrijpelijk is dat ZZC EBT niet heeft geïnformeerd over haar ‘niet pluis’ gevoel bij de handel in de banen van EBT en dat de stelling dat ZZC zelf actief heeft meegewerkt aan deze handel zonder voldoende onderbouwing is gebleven. In r.o. 6.52 herhaalt het hof zijn eerdere oordeel dat UIB haar stelling dat [eiser 2] wist – toen hij [betrokkene 4] als mogelijke verkoper voorstelde aan [betrokkene 2] /EBT – dat [betrokkene 4] een oplichter was/eerder betrokken was geweest bij (en is veroordeeld voor het plegen van) factoringfraude onvoldoende heeft gemotiveerd/onderbouwd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 160599 tot 161281.