Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Onder 4.94 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:98.
Subonderdeel 5.1.1 is gericht tegen de overwegingen van het hof in r.o. 6.46 dat UIB haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door ZZC c.s. dat (i) ZZC weliswaar ‘officieel’ niet is geïnformeerd door EBT/UIB, maar in werkelijkheid wel degelijk geacht moet worden al voor september op de hoogte te zijn van de factoringovereenkomst, althans van het feit dat VFI niet langer gerechtigd was om als collecting agent de vorderingen van EBT op haar afnemers te incasseren (ii) ZZC ervan op de hoogte was dat VFI de EBT-bananen slechts op naam van EBT mocht verkopen en niet in eigen naam. Het subonderdeel stelt onder a dat het hof met deze overwegingen een onbegrijpelijke – want te beperkte – uitleg heeft gegeven aan de stellingen van UIB. Het subonderdeel voert aan dat door UIB is gesteld dat [eiser 2] /ZZC vanaf het begin wist dat de EBT-bananenhandel door een bank zou worden gefinancierd op voorwaarde van verpanding c.q. factoring. Dit was [eiser 2] door [betrokkene 2] medegedeeld en [eiser 2] wist dat [betrokkene 2] /EBT zelf niet over de benodigde financiële middelen beschikten. Ook voert het subonderdeel aan dat – tegen die achtergrond – [eiser 2] /ZZC met VFI de ZZC-VFI afspraak maakte om daarmee te verhinderen dat de financier van EBT (UIB) effectief enig (stil) pandrecht zou kunnen uitoefenen. Hieraan doet niet af dat ZZC niet voor september 2012 ‘officieel’ was geïnformeerd over de factoringovereenkomst of dat VFI niet langer als collecting agent de gelden voor EBT mocht ontvangen. Onder b voert het subonderdeel aan dat het hof te hoge eisen stelt aan de stelplicht van UIB door in weerwil van de stellingen van UIB te oordelen dat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan en dat de verwijzing van het hof in r.o. 6.46 naar de verklaring van [eiser 2] geen voldoende (begrijpelijke) motivering vormt van de afwijking van de hoofdregel dat degene die een ander onrechtmatig handelen verwijt in beginsel niet meer hoeft te stellen dan de feiten die tot de conclusie kunnen leiden dat van onrechtmatig handelen sprake is en dat bij een betwisting van die feiten in beginsel de vraag naar bewijslevering ter tafel komt. Het subonderdeel bevat onder c de klacht dat de onjuistheid c.q. onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof te meer volgt uit de omstandigheid dat op ZZC c.s. een verzwaarde motiveringsplicht rust en dat ZZC c.s. art. 21 Rv hebben geschonden. UIB verwijst ter onderbouwing naar hetgeen zij in de subonderdelen 2.2.4 en 2.2.5 heeft aangevoerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5, en de alinea staat in dat document op bytes 161691 tot 164526.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e01ed785bd49825c338a438b8e9fe1b86c649b64d8cac8d85ac383e3d04e5 | shasum -a 256